BWBR0002452
Geldig vanaf 1965-08-01
Artikel 14
Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting
1. De voorwaarde van terugbetaling, genoemd in de artikelen 52 en 57 van de Woningwet 1901 en verbonden aan op grond van de artikelen 52 en 56, derde lid, van die wet verleende bijdragen, vervalt.
2. Voorschriften, gegeven ter uitvoering van de paragrafen 8 en 9 van de Woningwet 1901 - voorzover zij niet krachtens artikel 52, derde lid, van die wet zijn uitgevaardigd - alsmede de op die voorschriften berustende uitvoeringsbepalingen blijven van kracht en worden geacht ter uitvoering van de Woningwette zijn gegeven.
3. Wijzigt de wet van 14 juni 1934, Stb. 316.
4. De verplichting tot terugbetaling, verbonden aan bij of krachtens besluit van de gemeenteraad op andere wijze dan door middel van bijdragen, als bedoeld in het eerste lid, verleende geldelijke steun ter tegemoetkoming in ongedekte jaarlijkse tekorten, die voortspruiten uit de exploitatie van - vóór 1 januari 1946 tot stand gekomen - woningen door ingevolge artikel 78 van de Onteigeningswettoegelaten verenigingen, vennootschappen en stichtingen, vervalt.
2. Voorschriften, gegeven ter uitvoering van de paragrafen 8 en 9 van de Woningwet 1901 - voorzover zij niet krachtens artikel 52, derde lid, van die wet zijn uitgevaardigd - alsmede de op die voorschriften berustende uitvoeringsbepalingen blijven van kracht en worden geacht ter uitvoering van de Woningwette zijn gegeven.
3. Wijzigt de wet van 14 juni 1934, Stb. 316.
4. De verplichting tot terugbetaling, verbonden aan bij of krachtens besluit van de gemeenteraad op andere wijze dan door middel van bijdragen, als bedoeld in het eerste lid, verleende geldelijke steun ter tegemoetkoming in ongedekte jaarlijkse tekorten, die voortspruiten uit de exploitatie van - vóór 1 januari 1946 tot stand gekomen - woningen door ingevolge artikel 78 van de Onteigeningswettoegelaten verenigingen, vennootschappen en stichtingen, vervalt.