BWBR0002399
Geldig vanaf 2013-04-19
Artikel 96n
Wet op het voortgezet onderwijs
1. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, artikel 84, eerste lid, en artikel 85, eerste lid, wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering gebracht in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Deze regels kunnen voorzien in:
a. onderscheid in verband met de datum waarop gewezen personeel is ontslagen,
b. onderscheid in verband met de beslissing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV van de wet van 12 mei 2005, Stb. 288, en
c. verdeling van de in de eerste volzin bedoelde kosten over enerzijds de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk en anderzijds individuele bevoegde gezagsorganen en samenwerkingsverbanden, waarbij de scholen of scholengemeenschappen die onderdeel zijn van een verticale scholengemeenschap hiervan kunnen worden uitgezonderd.
2. Onze Minister kan het burgerservicenummer van een persoon, behorend tot gewezen personeel als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend in het kader van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, gebruiken in het verkeer met:
a. het bevoegd gezag van de school waar de in de aanhef bedoelde persoon werkzaam was, of
b. de instantie die de uitkeringen verstrekt of heeft verstrekt.
3. Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister aan Onze Minister verstrekt door het bevoegd gezag van de school waar het gewezen personeelslid werkzaam was.
a. onderscheid in verband met de datum waarop gewezen personeel is ontslagen,
b. onderscheid in verband met de beslissing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV van de wet van 12 mei 2005, Stb. 288, en
c. verdeling van de in de eerste volzin bedoelde kosten over enerzijds de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk en anderzijds individuele bevoegde gezagsorganen en samenwerkingsverbanden, waarbij de scholen of scholengemeenschappen die onderdeel zijn van een verticale scholengemeenschap hiervan kunnen worden uitgezonderd.
2. Onze Minister kan het burgerservicenummer van een persoon, behorend tot gewezen personeel als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend in het kader van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, gebruiken in het verkeer met:
a. het bevoegd gezag van de school waar de in de aanhef bedoelde persoon werkzaam was, of
b. de instantie die de uitkeringen verstrekt of heeft verstrekt.
3. Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister aan Onze Minister verstrekt door het bevoegd gezag van de school waar het gewezen personeelslid werkzaam was.