BWBR0002399
Geldig vanaf 2013-04-19
Artikel 108
Wet op het voortgezet onderwijs
1. Grondslag der berekening is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van elk van de jaren bij de school was ingeschreven.
2. Indien voor de leerlingen binnen redelijke afstand geen plaatsruimte beschikbaar is op een gelijksoortige school, past Onze Minister artikel 107zodanig toe, dat de leerlingen van elk leerjaar de cursus kunnen voltooien.
3. Artikel 107blijft buiten toepassing, indien de school nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen is ingeschreven:
1° 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
2° 195 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;
3° 195 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
4° 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid;
5° 120 leerlingen voor elk profiel voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of
6° 72 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.
4. Artikel 107blijft buiten toepassing, indien de scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de langste cursusduur van een van de samenstellende scholen. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school die deel uitmaakt van de scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze scholengemeenschap in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen op de desbetreffende school is ingeschreven:
1° 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
2° 146 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;
3° 146 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
4° 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid;
5° 90 leerlingen voor elk profiel voor een scholengemeenschap met een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of
6° 54 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.
5. In bijzondere gevallen kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten voor een door hem te bepalen tijd toe te staan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder, dan in artikel 107is vermeld of als sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, tweede volzin, of vierde lid, tweede volzin. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
6. Binnen acht weken na de bekendmaking door het Centraal Bureau voor de Statistiek dan wel door Onze Minister van de aantallen leerlingen per school voor voortgezet onderwijs, stellen gedeputeerde staten vast welke gemeentelijke scholen uit hun provincie gedurende reeds een jaar niet meer voldoen aan de voor hen geldende norm, genoemd in artikel 107. Wanneer er als gevolg van de opheffing van een school als bedoeld in de vorige volzin, naar hun oordeel niet meer voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, dragen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders op een aanvraag te doen op grond van het vijfde lid.
2. Indien voor de leerlingen binnen redelijke afstand geen plaatsruimte beschikbaar is op een gelijksoortige school, past Onze Minister artikel 107zodanig toe, dat de leerlingen van elk leerjaar de cursus kunnen voltooien.
3. Artikel 107blijft buiten toepassing, indien de school nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen is ingeschreven:
1° 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
2° 195 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;
3° 195 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
4° 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid;
5° 120 leerlingen voor elk profiel voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of
6° 72 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.
4. Artikel 107blijft buiten toepassing, indien de scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de langste cursusduur van een van de samenstellende scholen. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school die deel uitmaakt van de scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze scholengemeenschap in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen op de desbetreffende school is ingeschreven:
1° 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
2° 146 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;
3° 146 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
4° 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid;
5° 90 leerlingen voor elk profiel voor een scholengemeenschap met een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of
6° 54 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.
5. In bijzondere gevallen kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten voor een door hem te bepalen tijd toe te staan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder, dan in artikel 107is vermeld of als sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, tweede volzin, of vierde lid, tweede volzin. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
6. Binnen acht weken na de bekendmaking door het Centraal Bureau voor de Statistiek dan wel door Onze Minister van de aantallen leerlingen per school voor voortgezet onderwijs, stellen gedeputeerde staten vast welke gemeentelijke scholen uit hun provincie gedurende reeds een jaar niet meer voldoen aan de voor hen geldende norm, genoemd in artikel 107. Wanneer er als gevolg van de opheffing van een school als bedoeld in de vorige volzin, naar hun oordeel niet meer voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, dragen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders op een aanvraag te doen op grond van het vijfde lid.