BWBR0002399
Geldig vanaf 2013-04-19
Artikel 118t
Wet op het voortgezet onderwijs
1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van titel II, afdeling I, hoofdstuk Ien van titel III, afdeling II, van de wet.
2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke artikelen van het in het eerste lid genoemde hoofdstuk en de daar genoemde afdeling wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.
4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.
6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van:
a. artikel 1 van de Leerplichtwet 1969,
b. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet,
c. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000,
d. artikel 1.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijsof een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 7en afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6en 7en afdeling 9, paragrafen 1en 2, van de Wet op het primair onderwijs, dan wel titel I, artikelen 1en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6en afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6en 7, en afdeling 8, artikelen 146 tot en met 149en 151, van de Wet op de expertisecentra, hoofdstuk 2, titel 2, en hoofdstukken 6en 7 van de Wet educatie en beroepsonderwijsen hoofdstuk 2, titel 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 6en 7, hoofdstuk 9, titel 2, hoofdstuk 10, titel 3en hoofdstuk 11, paragraaf 4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.
2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke artikelen van het in het eerste lid genoemde hoofdstuk en de daar genoemde afdeling wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.
4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.
6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van:
a. artikel 1 van de Leerplichtwet 1969,
b. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet,
c. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000,
d. artikel 1.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijsof een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 7en afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6en 7en afdeling 9, paragrafen 1en 2, van de Wet op het primair onderwijs, dan wel titel I, artikelen 1en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6en afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6en 7, en afdeling 8, artikelen 146 tot en met 149en 151, van de Wet op de expertisecentra, hoofdstuk 2, titel 2, en hoofdstukken 6en 7 van de Wet educatie en beroepsonderwijsen hoofdstuk 2, titel 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 6en 7, hoofdstuk 9, titel 2, hoofdstuk 10, titel 3en hoofdstuk 11, paragraaf 4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.