BWBR0002399
Geldig vanaf 2013-04-19
Artikel 96m
Wet op het voortgezet onderwijs
1. Het bedrag van de bekostiging waarop het bevoegd gezag over een kalenderjaar aanspraak heeft, stelt Onze Minister vast op de som van de overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk verstrekte bekostiging en betaalde bedragen.
2. Op het in het eerste lid bedoelde bedrag worden in mindering gebracht:
a. de inkomsten die het bevoegd gezag geniet uit cursusgelden als bedoeld in de Les- en cursusgeldwet,
b. de inkomsten die het bevoegd gezag geniet uit verhaal van wettelijk verschuldigde bedragen en premies,
c. de door Onze Minister vast te stellen waarde van roerende zaken die door vervreemding of op andere wijze worden onttrokken aan de bestemming, waartoe zij met de vergoeding zijn aangeschaft, en
d. de opbrengst van werkstukken en van verrichte diensten anders dan in het kader van contractactiviteiten.
2. Op het in het eerste lid bedoelde bedrag worden in mindering gebracht:
a. de inkomsten die het bevoegd gezag geniet uit cursusgelden als bedoeld in de Les- en cursusgeldwet,
b. de inkomsten die het bevoegd gezag geniet uit verhaal van wettelijk verschuldigde bedragen en premies,
c. de door Onze Minister vast te stellen waarde van roerende zaken die door vervreemding of op andere wijze worden onttrokken aan de bestemming, waartoe zij met de vergoeding zijn aangeschaft, en
d. de opbrengst van werkstukken en van verrichte diensten anders dan in het kader van contractactiviteiten.