BWBR0002032
Geldig vanaf 2008-01-24
Artikel 45a
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
1. De schoonouders, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/396" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 396, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>(nieuw) in werking treedt, recht hebben op buitengewoon pensioen krachtens artikel 15, eerste lid, onder e, juncto artikel 17, g, behouden dit recht, indien en voor zolang zij dit zouden hebben, wanneer artikel 464 van het Burgerlijk Wetboek (oud) nog van kracht zou zijn.
2. De schoonmoeder, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/396" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 396, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>(nieuw) in werking treedt, uitzicht heeft op wedertoekenning van buitengewoon pensioen krachtens artikel 28, derde lid, behoudt dit uitzicht, indien en voor zolang zij dit zou hebben, wanneer artikel 464 van het Burgerlijk Wetboek (oud) nog van kracht zou zijn.
2. De schoonmoeder, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/396" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 396, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>(nieuw) in werking treedt, uitzicht heeft op wedertoekenning van buitengewoon pensioen krachtens artikel 28, derde lid, behoudt dit uitzicht, indien en voor zolang zij dit zou hebben, wanneer artikel 464 van het Burgerlijk Wetboek (oud) nog van kracht zou zijn.