BWBV0003614
Geldig vanaf 01-02-2010
Artikel 15
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting in Nederland ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen
1. Op strafbare feiten die in de penitentiaire inrichting worden gepleegd, is de strafwet van de ontvangststaat onverkort van toepassing.
2. De directeur is verplicht van alle strafbare feiten aangifte te doen bij de politie te Tilburg. De politie te Tilburg stelt de officier van justitie te Breda onverwijld van de aangifte in kennis.
3. De directeur verleent medewerking aan elk door de autoriteiten van de ontvangststaat, belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten, noodzakelijk geacht onderzoek binnen de penitentiaire inrichting.
4. Het horen van gedetineerden als verdachte of getuige en andere hen betreffende onderzoekshandelingen vinden, voor zover het belang van het onderzoek dat toelaat, zoveel mogelijk binnen de penitentiaire inrichting plaats.
5. Een gedetineerde die wordt verdacht van een strafbaar feit:
a. mag niet naar de zendstaat worden overgebracht dan met toestemming van de officier van justitie te Breda; en
b. mag uitsluitend op bevel van de officier van justitie te Breda worden aangehouden en wordt dan overgeplaatst naar een andere plaats van detentie in de ontvangststaat.
6. Het is autoriteiten van de zendstaat niet toegestaan in de penitentiaire inrichting onderzoek in te stellen naar aldaar gepleegde strafbare feiten. Echter, de directeur kan een onderzoek instellen met het oog op het opleggen van een tuchtsanctie aan een bij een strafbaar feit betrokken gedetineerde, voorzover dit naar het oordeel van de officier van justitie te Breda verenigbaar is met de belangen van het strafrechtelijk onderzoek.
2. De directeur is verplicht van alle strafbare feiten aangifte te doen bij de politie te Tilburg. De politie te Tilburg stelt de officier van justitie te Breda onverwijld van de aangifte in kennis.
3. De directeur verleent medewerking aan elk door de autoriteiten van de ontvangststaat, belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten, noodzakelijk geacht onderzoek binnen de penitentiaire inrichting.
4. Het horen van gedetineerden als verdachte of getuige en andere hen betreffende onderzoekshandelingen vinden, voor zover het belang van het onderzoek dat toelaat, zoveel mogelijk binnen de penitentiaire inrichting plaats.
5. Een gedetineerde die wordt verdacht van een strafbaar feit:
a. mag niet naar de zendstaat worden overgebracht dan met toestemming van de officier van justitie te Breda; en
b. mag uitsluitend op bevel van de officier van justitie te Breda worden aangehouden en wordt dan overgeplaatst naar een andere plaats van detentie in de ontvangststaat.
6. Het is autoriteiten van de zendstaat niet toegestaan in de penitentiaire inrichting onderzoek in te stellen naar aldaar gepleegde strafbare feiten. Echter, de directeur kan een onderzoek instellen met het oog op het opleggen van een tuchtsanctie aan een bij een strafbaar feit betrokken gedetineerde, voorzover dit naar het oordeel van de officier van justitie te Breda verenigbaar is met de belangen van het strafrechtelijk onderzoek.
- Citeren als
- Art. 15
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0003614
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl