BWBV0002414
Artikel 83
Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien
1. Elke ondertekenende Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt, te bepalen dat de artikelen 46 en 77 op zijn grondgebied niet van toepassing zijn op Gemeenschapsoctrooien, noch op Europese octrooien die voor, of nationale octrooien die door deze Staat zijn verleend.
2. Een voorbehoud dat een ondertekenende Staat overeenkomstig het eerste lid heeft gemaakt, geldt uiterlijk tot het eind van het tiende jaar na inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien. De Raad van de Europese Gemeenschappen kan evenwel, op voorstel van een ondertekenende Staat, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, deze periode met ten hoogste vijf jaar verlengen voor een ondertekenende Staat die zulk een voorbehoud heeft gemaakt. Deze meerderheid is die bedoeld in artikel 148, tweede lid, tweede alinea, tweede streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.
3. Een overeenkomstig het eerste lid gemaakt voorbehoud geldt niet meer, nadat de gemeenschappelijke regeling voor het verlenen van gedwongen licenties op een Gemeenschapsoctrooi van kracht is geworden.
4. Een ondertekenende Staat die een voorbehoud overeenkomstig het eerste lid heeft gemaakt, kan dit te allen tijde intrekken. Intrekking geschiedt door kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen en wordt van kracht een maand na ontvangst van deze kennisgeving.
5. Het voorbehoud blijft van kracht voor gedwongen licenties, verleend vóór de datum waarop het voorbehoud zijn geldigheid verliest.
2. Een voorbehoud dat een ondertekenende Staat overeenkomstig het eerste lid heeft gemaakt, geldt uiterlijk tot het eind van het tiende jaar na inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien. De Raad van de Europese Gemeenschappen kan evenwel, op voorstel van een ondertekenende Staat, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, deze periode met ten hoogste vijf jaar verlengen voor een ondertekenende Staat die zulk een voorbehoud heeft gemaakt. Deze meerderheid is die bedoeld in artikel 148, tweede lid, tweede alinea, tweede streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.
3. Een overeenkomstig het eerste lid gemaakt voorbehoud geldt niet meer, nadat de gemeenschappelijke regeling voor het verlenen van gedwongen licenties op een Gemeenschapsoctrooi van kracht is geworden.
4. Een ondertekenende Staat die een voorbehoud overeenkomstig het eerste lid heeft gemaakt, kan dit te allen tijde intrekken. Intrekking geschiedt door kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen en wordt van kracht een maand na ontvangst van deze kennisgeving.
5. Het voorbehoud blijft van kracht voor gedwongen licenties, verleend vóór de datum waarop het voorbehoud zijn geldigheid verliest.
- Citeren als
- Art. 83
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0002414
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl