BWBR0048172
Geldig vanaf 2023-04-04
Artikel 8
Onderlinge regeling samenwerking bij hervormingen
1. Als de Ministers geen overeenstemming bereiken in de gevallen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, artikel 6, derde lid, artikel 7, vierde lid, artikel 10, tweede lid, onder a, of artikel 11, vijfde lid, wijzen zij binnen twee weken na afloop van het overleg tussen de Ministers een onafhankelijke bemiddelaar aan. De bemiddeling is erop gericht om de Ministers alsnog tot overeenstemming te laten komen. In de opdracht aan de bemiddelaar beschrijven de Ministers het onderwerp waarover een meningsverschil bestaat
2. De bemiddelaar doet binnen vier weken een voorstel dat ertoe strekt om alsnog overeenstemming te bereiken.
3. De Ministers en andere betrokken partijen, waaronder ministers, de Uitvoeringsorganisatie en de Werkorganisatie, verlenen de bemiddelaar hiertoe de medewerking die deze redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak.
4. Als de Ministers het voorstel, bedoeld in het tweede lid, niet volgen en overeenstemming over de betreffende kwestie uitblijft, stelt de bemiddelaar een verslag op met de conclusies van de bemiddeling. In dit verslag wordt weergegeven op welke puntende Ministers met elkaar van mening verschillen.
5. Aanwijzing van een bemiddelaar vindt plaats op grond van deskundigheid, maatschappelijke kennis en ervaring.
6. De bemiddelaar vervult zijn rol onafhankelijk van de Ministers. Een bemiddelaar kan geen minister, staatssecretaris, Kamerlid, Statenlid, echtgenoot, levenspartner of bloed- of aanverwant tot de tweede graad van een minister, staatssecretaris, Kamerlid of Statenlid zijn.
7. Eventuele kosten als gevolg van de bemiddeling worden gelijkelijk door de betrokken landen gedeeld.
8. Als de Ministers binnen twee weken geen overeenstemming bereiken over de aanwijzing van een onafhankelijke bemiddelaar, verzoeken zij de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, onder verstrekking van de opdracht, genoemd in het eerste lid, om hiervoor binnen twee weken een voordracht te doen. Deze voordracht wordt door de Ministers gevolgd. De leden 5, 6 en 7 zijn van toepassing.
9. Als de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba er niet in slaagt om binnen twee weken een voordracht te doen voor de aanwijzing van een bemiddelaar, kan hij deze termijn, onder kennisgeving aan de Ministers, eenmaal met ten hoogste twee weken verlengen.
2. De bemiddelaar doet binnen vier weken een voorstel dat ertoe strekt om alsnog overeenstemming te bereiken.
3. De Ministers en andere betrokken partijen, waaronder ministers, de Uitvoeringsorganisatie en de Werkorganisatie, verlenen de bemiddelaar hiertoe de medewerking die deze redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak.
4. Als de Ministers het voorstel, bedoeld in het tweede lid, niet volgen en overeenstemming over de betreffende kwestie uitblijft, stelt de bemiddelaar een verslag op met de conclusies van de bemiddeling. In dit verslag wordt weergegeven op welke puntende Ministers met elkaar van mening verschillen.
5. Aanwijzing van een bemiddelaar vindt plaats op grond van deskundigheid, maatschappelijke kennis en ervaring.
6. De bemiddelaar vervult zijn rol onafhankelijk van de Ministers. Een bemiddelaar kan geen minister, staatssecretaris, Kamerlid, Statenlid, echtgenoot, levenspartner of bloed- of aanverwant tot de tweede graad van een minister, staatssecretaris, Kamerlid of Statenlid zijn.
7. Eventuele kosten als gevolg van de bemiddeling worden gelijkelijk door de betrokken landen gedeeld.
8. Als de Ministers binnen twee weken geen overeenstemming bereiken over de aanwijzing van een onafhankelijke bemiddelaar, verzoeken zij de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, onder verstrekking van de opdracht, genoemd in het eerste lid, om hiervoor binnen twee weken een voordracht te doen. Deze voordracht wordt door de Ministers gevolgd. De leden 5, 6 en 7 zijn van toepassing.
9. Als de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba er niet in slaagt om binnen twee weken een voordracht te doen voor de aanwijzing van een bemiddelaar, kan hij deze termijn, onder kennisgeving aan de Ministers, eenmaal met ten hoogste twee weken verlengen.