BWBR0048172
Geldig vanaf 2023-04-04
Artikel 10
Onderlinge regeling samenwerking bij hervormingen
1. De Ministers van Algemene Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zenden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze onderlinge regeling aan de Volksvertegenwoordiging een verslag over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van deze regeling in onderscheidenlijk de Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense praktijk.
2. Met het oog op het verslag, bedoeld in het eerste lid, stellen de Ministers van Algemene Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van deze termijn gezamenlijk een evaluatiecommissie in. De evaluatiecommissie bestaat uit vijf onafhankelijke leden die op grond van deskundigheid en volgens de volgende procedure worden benoemd:
a. de voorzitter in overeenstemming met de Ministers van Algemene Zaken;
b. een lid, aan te wijzen door de Minister van Algemene Zaken van Aruba;
c. een lid, aan te wijzen door de Minister van Algemene Zaken van Curaçao;
d. een lid, aan te wijzen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
e. een lid, aan te wijzen door de Minister van Algemene Zaken van Sint-Maarten.
3. De evaluatiecommissie kan zich ter uitvoering van haar werkzaamheden laten ondersteunen door een of meer secretarissen.
4. De evaluatiecommissie brengt uiterlijk zes maanden nadat deze is ingesteld verslag uit aan de Ministers van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Volksvertegenwoordiging. Het verslag bevat gemotiveerde oordelen en aanbevelingen.
5. De instelling van de evaluatiecommissie gaat gepaard met een door de Ministers vastgestelde begroting, waarin de vergoedingen voor de leden en secretarissen, alsmede de uitgaven voor de uitvoering van de evaluatie zijn opgenomen.
6. De bekostiging van de begroting van de evaluatiecommissie komt gelijkelijk ten laste van de begrotingen van de Ministeries van Algemene Zaken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Met het oog op het verslag, bedoeld in het eerste lid, stellen de Ministers van Algemene Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van deze termijn gezamenlijk een evaluatiecommissie in. De evaluatiecommissie bestaat uit vijf onafhankelijke leden die op grond van deskundigheid en volgens de volgende procedure worden benoemd:
a. de voorzitter in overeenstemming met de Ministers van Algemene Zaken;
b. een lid, aan te wijzen door de Minister van Algemene Zaken van Aruba;
c. een lid, aan te wijzen door de Minister van Algemene Zaken van Curaçao;
d. een lid, aan te wijzen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
e. een lid, aan te wijzen door de Minister van Algemene Zaken van Sint-Maarten.
3. De evaluatiecommissie kan zich ter uitvoering van haar werkzaamheden laten ondersteunen door een of meer secretarissen.
4. De evaluatiecommissie brengt uiterlijk zes maanden nadat deze is ingesteld verslag uit aan de Ministers van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Volksvertegenwoordiging. Het verslag bevat gemotiveerde oordelen en aanbevelingen.
5. De instelling van de evaluatiecommissie gaat gepaard met een door de Ministers vastgestelde begroting, waarin de vergoedingen voor de leden en secretarissen, alsmede de uitgaven voor de uitvoering van de evaluatie zijn opgenomen.
6. De bekostiging van de begroting van de evaluatiecommissie komt gelijkelijk ten laste van de begrotingen van de Ministeries van Algemene Zaken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.