BWBR0046995
Geldig vanaf 2023-10-09
Artikel 3
Subsidieregeling Nationaal Groeifonds
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor een activiteit of een samenhangend geheel van activiteiten die het duurzaam verdienvermogen vergroten en die betrekking hebben op:
a. kennisontwikkeling;
b. onderzoek, ontwikkeling en innovatie, met betrekking tot: 1°. onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten;
2°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
3°. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
4°. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters;
5°. innovatie van kleine en middelgrote ondernemingen; of
6°. proces- en organisatie-innovatie.
1°. onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten;
2°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
3°. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
4°. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters;
5°. innovatie van kleine en middelgrote ondernemingen; of
6°. proces- en organisatie-innovatie.
2. De subsidie wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de wetdie voor eigen rekening en risico de activiteiten uitvoert, met dien verstande dat een subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan een natuurlijk persoon die een onderneming drijft.
3. De minister kan de subsidie verstrekken aan een deelnemer in een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien de subsidie staatssteun bevat, wordt deze uitsluitend verstrekt voor:
a. kennisontwikkeling voor zover de subsidie betrekking heeft op opleidingssteun als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en wordt voldaan aan artikel 31, tweede lid, van die verordening;
b. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters indien wordt voldaan aan artikel 27, tweede en zevende lid, tweede volzin, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
c. proces- en organisatie-innovatie indien wordt voldaan aan artikel 29, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
5. Een aanvraag tot het verstrekken van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wetwordt beschouwd als een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
a. kennisontwikkeling;
b. onderzoek, ontwikkeling en innovatie, met betrekking tot: 1°. onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten;
2°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
3°. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
4°. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters;
5°. innovatie van kleine en middelgrote ondernemingen; of
6°. proces- en organisatie-innovatie.
1°. onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten;
2°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
3°. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
4°. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters;
5°. innovatie van kleine en middelgrote ondernemingen; of
6°. proces- en organisatie-innovatie.
2. De subsidie wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de wetdie voor eigen rekening en risico de activiteiten uitvoert, met dien verstande dat een subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan een natuurlijk persoon die een onderneming drijft.
3. De minister kan de subsidie verstrekken aan een deelnemer in een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien de subsidie staatssteun bevat, wordt deze uitsluitend verstrekt voor:
a. kennisontwikkeling voor zover de subsidie betrekking heeft op opleidingssteun als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en wordt voldaan aan artikel 31, tweede lid, van die verordening;
b. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters indien wordt voldaan aan artikel 27, tweede en zevende lid, tweede volzin, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
c. proces- en organisatie-innovatie indien wordt voldaan aan artikel 29, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
5. Een aanvraag tot het verstrekken van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wetwordt beschouwd als een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.