BWBR0043598
Geldig vanaf 2020-06-05
Artikel 9
Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020–2021
1. De subsidies worden verleend binnen acht weken na afloop van de aanvraagtermijn. De Minister stelt de subsidie ambtshalve vast binnen 22 weken na 9 januari 2022 of na het verstrijken van de voor het aanleveren van de op grond van het tweede lid opgevraagde gegevens gestelde termijn dan wel binnen 22 weken na ontvangst van de op grond van het tweede lid opgevraagde gegevens.
2. De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen.
3. De activiteiten gelden als volledig verricht, indien:
a. ten minste 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen; en
b. het aantal klokuren en weken waarvoor subsidie is verstrekt, volledig is aangeboden.
4. Indien het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen, minder is dan 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt stelt de Minister de subsidie naar evenredigheid lager vast.
5. Indien het aantal klokuren dan wel het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve daadwerkelijk is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt stelt de Minister de subsidie naar evenredigheid lager vast indien het bedrag van de lagere vaststelling hoger is dan 10% van het verleende subsidiebedrag.
6. De Minister verstrekt een voorschot van 100%, en betaalt dat voorschot in één keer.
2. De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen.
3. De activiteiten gelden als volledig verricht, indien:
a. ten minste 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen; en
b. het aantal klokuren en weken waarvoor subsidie is verstrekt, volledig is aangeboden.
4. Indien het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen, minder is dan 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt stelt de Minister de subsidie naar evenredigheid lager vast.
5. Indien het aantal klokuren dan wel het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve daadwerkelijk is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt stelt de Minister de subsidie naar evenredigheid lager vast indien het bedrag van de lagere vaststelling hoger is dan 10% van het verleende subsidiebedrag.
6. De Minister verstrekt een voorschot van 100%, en betaalt dat voorschot in één keer.