BWBR0043598
Geldig vanaf 2020-06-05
Artikel 8
Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020–2021
1. Voor deelname aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve wordt aan ouders of verzorgers van de ve-peuters geen vergoeding gevraagd.
2. Onverminderd de verplichtingen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, voert de subsidieontvanger een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid hoeveel ve-peuters aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve hebben deelgenomen.
3. Inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve waarvoor subsidie is aangevraagd kunnen worden uitgevoerd tot en met uiterlijk 9 januari 2022.
4. De kwaliteitseisen die voortvloeien uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatieen het Besluit kwaliteit kinderopvangzijn van overeenkomstige toepassing op de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve.
5. In afwijking van het vierde lid, wordt, voor zover de subsidie is verstrekt voor een inhaal- en ondersteuningsprogramma als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, dat wordt gegeven aan een groep ve-peuters die groter is dan acht, ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatieingezet. De andere medewerker is een beroepskracht, beroepskracht ve of beroepskracht in opleiding te zijn in de zin van de Wet kinderopvang.
6. Onverminderd artikel 5.7 van de Kaderregelingmaakt de subsidieontvanger er bij de Minister melding van indien:
a. het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen, minder is dan 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt; en
b. indien het aantal uren dan wel het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve daadwerkelijk is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt.
2. Onverminderd de verplichtingen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, voert de subsidieontvanger een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid hoeveel ve-peuters aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve hebben deelgenomen.
3. Inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve waarvoor subsidie is aangevraagd kunnen worden uitgevoerd tot en met uiterlijk 9 januari 2022.
4. De kwaliteitseisen die voortvloeien uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatieen het Besluit kwaliteit kinderopvangzijn van overeenkomstige toepassing op de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve.
5. In afwijking van het vierde lid, wordt, voor zover de subsidie is verstrekt voor een inhaal- en ondersteuningsprogramma als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, dat wordt gegeven aan een groep ve-peuters die groter is dan acht, ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatieingezet. De andere medewerker is een beroepskracht, beroepskracht ve of beroepskracht in opleiding te zijn in de zin van de Wet kinderopvang.
6. Onverminderd artikel 5.7 van de Kaderregelingmaakt de subsidieontvanger er bij de Minister melding van indien:
a. het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen, minder is dan 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt; en
b. indien het aantal uren dan wel het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve daadwerkelijk is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt.