BWBR0043598
Geldig vanaf 2020-06-05
Artikel 7
Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020–2021
1. Een houder van een kindercentrum kan voor elk van zijn instellingen afzonderlijk een subsidieaanvraag indienen, voor een inhaal- en ondersteuningsprogramma als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bof beide, van 1 augustus 2021 tot en met 10 september 2021.
2. Aanvragen die na de einddatum van het desbetreffende aanvraagtijdvak worden ingediend, worden afgewezen.
3. Voor de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier dat is te vinden op de website www.dus-i.nl.
4. In afwijking van de artikelen 3.4 tot en met 3.7 van de Kaderregelingbevat de aanvraag:
a. een vermelding van de instelling, inclusief LRK-nummer, waarvoor subsidie voor het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve wordt aangevraagd;
b. een prognose van het aantal ve-peuters dat naar verwachting zal deelnemen aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve;
c. het aantal klokuren per week dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve omvat;
d. het aantal weken per ve-peuter waarin het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve zal worden aangeboden;
e. een verklaring: i. dat de geprognosticeerde peuters ve-peuters zijn;
ii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma en buiten de reguliere weken van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iv. dat geen subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten waarvoor de instelling reeds vanuit het Rijk of een gemeente wordt gefinancierd; en
v. dat de gemeente waar de instelling is gevestigd op de hoogte is van het doen van deze aanvraag.
i. dat de geprognosticeerde peuters ve-peuters zijn;
ii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma en buiten de reguliere weken van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iv. dat geen subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten waarvoor de instelling reeds vanuit het Rijk of een gemeente wordt gefinancierd; en
v. dat de gemeente waar de instelling is gevestigd op de hoogte is van het doen van deze aanvraag.
2. Aanvragen die na de einddatum van het desbetreffende aanvraagtijdvak worden ingediend, worden afgewezen.
3. Voor de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier dat is te vinden op de website www.dus-i.nl.
4. In afwijking van de artikelen 3.4 tot en met 3.7 van de Kaderregelingbevat de aanvraag:
a. een vermelding van de instelling, inclusief LRK-nummer, waarvoor subsidie voor het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve wordt aangevraagd;
b. een prognose van het aantal ve-peuters dat naar verwachting zal deelnemen aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve;
c. het aantal klokuren per week dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve omvat;
d. het aantal weken per ve-peuter waarin het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve zal worden aangeboden;
e. een verklaring: i. dat de geprognosticeerde peuters ve-peuters zijn;
ii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma en buiten de reguliere weken van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iv. dat geen subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten waarvoor de instelling reeds vanuit het Rijk of een gemeente wordt gefinancierd; en
v. dat de gemeente waar de instelling is gevestigd op de hoogte is van het doen van deze aanvraag.
i. dat de geprognosticeerde peuters ve-peuters zijn;
ii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma en buiten de reguliere weken van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iii. indien de aanvraag betrekking heeft op een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, dat het programma aanvullend op, maar buiten het reguliere programma van voorschoolse educatie wordt aangeboden;
iv. dat geen subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten waarvoor de instelling reeds vanuit het Rijk of een gemeente wordt gefinancierd; en
v. dat de gemeente waar de instelling is gevestigd op de hoogte is van het doen van deze aanvraag.