BWBR0041185
Geldig vanaf 2018-07-24
Artikel 9
Regeling Inspectie van het onderwijs 2018
1. De inspecteur-generaal is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de inspectie.
2. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs maken jaarlijks voor aanvang van het nieuwe kalenderjaar een managementafspraak overeenkomstig de daarvoor door de secretaris-generaal vast te stellen procedure.
3. In de managementafspraak wordt in ieder geval aandacht besteed aan:
a. de bedrijfsvoering in relatie tot de taakuitoefening door de inspectie, zoals vastgelegd in het jaarwerkplan;
b. de hoofdlijnen van de uitoefening van het toezicht door de inspectie;
c. de toekenning van het budget aan en de besteding van middelen door de inspectie, aansluitend bij de werkzaamheden uit het jaarwerkplan; en
d. de risico’s die door de inspectie gelopen worden en de wijze waarop de inspectie deze risico’s afdekt.
4. De werkzaamheden uit het jaarwerkplan, alsmede eventuele aanvullende werkzaamheden op verzoek van de Minister, dienen binnen de voor de inspectie opgenomen gelden in de rijksbegroting voor het ministerie te worden uitgevoerd, tenzij andere afspraken zijn gemaakt met de secretaris-generaal.
5. De inspectie besteedt de beschikbaar gestelde budgetten naar eigen inzicht, met inachtneming van de Comptabiliteitswet 2016, de voor het ministerie geldende interne regelingen en, indien van toepassing, specifieke afspraken die daarover met de inspectie zijn gemaakt.
6. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal voeren ten minste drie keer per jaar overleg over de managementafspraak en de uitvoering daarvan. De inspecteur-generaal legt ten behoeve daarvan in viermaandelijkse managementrapportages verantwoording af over de uitvoering van de managementafspraak.
2. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs maken jaarlijks voor aanvang van het nieuwe kalenderjaar een managementafspraak overeenkomstig de daarvoor door de secretaris-generaal vast te stellen procedure.
3. In de managementafspraak wordt in ieder geval aandacht besteed aan:
a. de bedrijfsvoering in relatie tot de taakuitoefening door de inspectie, zoals vastgelegd in het jaarwerkplan;
b. de hoofdlijnen van de uitoefening van het toezicht door de inspectie;
c. de toekenning van het budget aan en de besteding van middelen door de inspectie, aansluitend bij de werkzaamheden uit het jaarwerkplan; en
d. de risico’s die door de inspectie gelopen worden en de wijze waarop de inspectie deze risico’s afdekt.
4. De werkzaamheden uit het jaarwerkplan, alsmede eventuele aanvullende werkzaamheden op verzoek van de Minister, dienen binnen de voor de inspectie opgenomen gelden in de rijksbegroting voor het ministerie te worden uitgevoerd, tenzij andere afspraken zijn gemaakt met de secretaris-generaal.
5. De inspectie besteedt de beschikbaar gestelde budgetten naar eigen inzicht, met inachtneming van de Comptabiliteitswet 2016, de voor het ministerie geldende interne regelingen en, indien van toepassing, specifieke afspraken die daarover met de inspectie zijn gemaakt.
6. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal voeren ten minste drie keer per jaar overleg over de managementafspraak en de uitvoering daarvan. De inspecteur-generaal legt ten behoeve daarvan in viermaandelijkse managementrapportages verantwoording af over de uitvoering van de managementafspraak.