BWBR0041185
Geldig vanaf 2018-07-24
Artikel 2
Regeling Inspectie van het onderwijs 2018
1. De inspectie richt haar werkzaamheden in op basis van het jaarwerkplan, bedoeld in artikel 7, van de WOT.
2. In het jaarwerkplan wordt in ieder geval een relatie gelegd met de onderscheiden beleidsgebieden waaraan de inspectie in het verslag over de staat van het onderwijs specifieke aandacht besteedt.
3. Over de inhoud van het jaarwerkplan en de wisselwerking tussen het jaarwerkplan en het beleid van het ministerie vindt jaarlijks voor 1 juni een werkconferentie plaats met de inspectie en de betrokken organisatieonderdelen van het ministerie.
4. De inspectie legt de Minister jaarlijks voor 1 juli het ontwerp van het jaarwerkplan voor. Daarna stelt de inspectie na afstemming met de betrokken organisatieonderdelen het ontwerp voor 1 september vast.
5. Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van de Minister. Deze goedkeuring wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp van het jaarwerkplan door de Minister aan de Staten-Generaal is overgelegd. Indien dit leidt tot aanpassingen in het ontwerp-jaarwerkplan, stelt de inspectie het ontwerp van het jaarwerkplan opnieuw vast, alvorens deze goedkeuring kan worden verleend.
6. De Minister informeert de Staten-Generaal over tussentijdse wijzigingen van het jaarwerkplan en over andere aangelegenheden, die de uitvoering van het jaarwerkplan in belangrijke mate beïnvloeden.
2. In het jaarwerkplan wordt in ieder geval een relatie gelegd met de onderscheiden beleidsgebieden waaraan de inspectie in het verslag over de staat van het onderwijs specifieke aandacht besteedt.
3. Over de inhoud van het jaarwerkplan en de wisselwerking tussen het jaarwerkplan en het beleid van het ministerie vindt jaarlijks voor 1 juni een werkconferentie plaats met de inspectie en de betrokken organisatieonderdelen van het ministerie.
4. De inspectie legt de Minister jaarlijks voor 1 juli het ontwerp van het jaarwerkplan voor. Daarna stelt de inspectie na afstemming met de betrokken organisatieonderdelen het ontwerp voor 1 september vast.
5. Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van de Minister. Deze goedkeuring wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp van het jaarwerkplan door de Minister aan de Staten-Generaal is overgelegd. Indien dit leidt tot aanpassingen in het ontwerp-jaarwerkplan, stelt de inspectie het ontwerp van het jaarwerkplan opnieuw vast, alvorens deze goedkeuring kan worden verleend.
6. De Minister informeert de Staten-Generaal over tussentijdse wijzigingen van het jaarwerkplan en over andere aangelegenheden, die de uitvoering van het jaarwerkplan in belangrijke mate beïnvloeden.