BWBR0041185
Geldig vanaf 2018-07-24
Artikel 13
Regeling Inspectie van het onderwijs 2018
1. De inspectie stelt jaarlijks een jaarverslag vast over het voorgaande kalenderjaar. Het jaarverslag bevat gegevens over de uitoefening van het toezicht door de inspectie, de bedrijfsvoering met inbegrip van de besteding van middelen, en de ontwikkelingen in het toezicht en in de organisatie in het voorgaande kalenderjaar.
2. In het jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over de wijze waarop toezicht is gehouden. In het verslag geeft de inspectie daartoe onder meer aan:
a. op welke wijze zij de onderwijsinstellingen bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken en het resultaat daarvan;
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop de toetsing van de kwaliteit van het onderwijs heeft plaatsgevonden en het resultaat daarvan, met in elk geval aandacht voor de aantallen onderzoeken bij en bezoeken aan besturen en scholen of instellingen in de verschillende sectoren;
c. het aantal verzoeken om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur en het aantal klachten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WOT, alsmede het aantal overige vragen en overige signalen;
d. de wijze waarop de inspectie omgaat met de verzoeken, klachten en vragen en overige signalen, bedoeld in onderdeel c; en
e. de wijze waarop zij samenwerkt met relevante partijen in en buiten het onderwijs.
3. De inspectie legt jaarlijks voor 1 maart het ontwerp van het jaarverslag voor aan de secretaris-generaal. Daarna stelt de inspectie het jaarverslag voor 1 april vast.
4. De Minister zendt het jaarverslag aan de Staten-Generaal, zo nodig voorzien van een reactie van de Minister.
2. In het jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over de wijze waarop toezicht is gehouden. In het verslag geeft de inspectie daartoe onder meer aan:
a. op welke wijze zij de onderwijsinstellingen bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken en het resultaat daarvan;
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop de toetsing van de kwaliteit van het onderwijs heeft plaatsgevonden en het resultaat daarvan, met in elk geval aandacht voor de aantallen onderzoeken bij en bezoeken aan besturen en scholen of instellingen in de verschillende sectoren;
c. het aantal verzoeken om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur en het aantal klachten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WOT, alsmede het aantal overige vragen en overige signalen;
d. de wijze waarop de inspectie omgaat met de verzoeken, klachten en vragen en overige signalen, bedoeld in onderdeel c; en
e. de wijze waarop zij samenwerkt met relevante partijen in en buiten het onderwijs.
3. De inspectie legt jaarlijks voor 1 maart het ontwerp van het jaarverslag voor aan de secretaris-generaal. Daarna stelt de inspectie het jaarverslag voor 1 april vast.
4. De Minister zendt het jaarverslag aan de Staten-Generaal, zo nodig voorzien van een reactie van de Minister.