BWBR0041130
Geldig vanaf 2018-07-11
Artikel 8
Procedureregeling met betrekking tot het behandelen van meldingen inzake vermoedens van misstanden AIVD
1. De secretaris-generaal stelt onverwijld een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand dat door de melder is gemeld, tenzij:
a. de melding niet voldoet aan het bepaalde in artikel 126, derde lid, van de Wiv 2017;
b. het vermoeden van een misstand kennelijk ongegrond is;
c. het maatschappelijk belang bij een onderzoek door de interne commissie, dan wel de ernst van de misstand, kennelijk onvoldoende is;
d. een melding, dezelfde misstand betreffende, bij de interne commissie in behandeling is of, behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de bedoelde misstand zou hebben kunnen leiden, door de interne commissie is afgedaan;
e. bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak reeds over de misstand is geoordeeld;
f. de melder onvoldoende meewerkt aan een zorgvuldig verloop van het onderzoek en het bewaren van de vertrouwelijkheid van uitkomsten van het onderzoek;
g. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
2. De secretaris-generaal meldt het achterwege laten van een onderzoek en van de verdere behandeling van de melding zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon, alsmede aan de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, indien deze op de hoogte zijn gebracht van de melding.
3. Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling klachtbehandeling.
4. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt, namens de secretaris-generaal, verricht door een interne commissie.
5. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.
6. De interne commissie rapporteert haar bevindingen, door tussenkomst van de directeur-generaal of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend directeur-generaal, aan de secretaris-generaal.
a. de melding niet voldoet aan het bepaalde in artikel 126, derde lid, van de Wiv 2017;
b. het vermoeden van een misstand kennelijk ongegrond is;
c. het maatschappelijk belang bij een onderzoek door de interne commissie, dan wel de ernst van de misstand, kennelijk onvoldoende is;
d. een melding, dezelfde misstand betreffende, bij de interne commissie in behandeling is of, behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de bedoelde misstand zou hebben kunnen leiden, door de interne commissie is afgedaan;
e. bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak reeds over de misstand is geoordeeld;
f. de melder onvoldoende meewerkt aan een zorgvuldig verloop van het onderzoek en het bewaren van de vertrouwelijkheid van uitkomsten van het onderzoek;
g. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
2. De secretaris-generaal meldt het achterwege laten van een onderzoek en van de verdere behandeling van de melding zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon, alsmede aan de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, indien deze op de hoogte zijn gebracht van de melding.
3. Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling klachtbehandeling.
4. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt, namens de secretaris-generaal, verricht door een interne commissie.
5. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.
6. De interne commissie rapporteert haar bevindingen, door tussenkomst van de directeur-generaal of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend directeur-generaal, aan de secretaris-generaal.