BWBR0041130
Geldig vanaf 2018-07-11
Artikel 10
Procedureregeling met betrekking tot het behandelen van meldingen inzake vermoedens van misstanden AIVD
1. Indien de melder een melding wil doen die betrekking heeft op een of meer gezamenlijke teams van de AIVD en de MIVD, kan de melder zich zowel tot de AIVD als de MIVD richten.
2. Indien de melding betrekking heeft op een of meer gezamenlijke teams van de AIVD en MIVD, dienen de diensten elkaar onverwijld in kennis te stellen van een dergelijke melding en de datum waarop deze is ontvangen.
3. Indien de melding wordt gericht aan de AIVD bevestigt de secretaris-generaal, in overeenstemming met de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie, de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder, al dan niet door tussenkomst van de vertrouwenspersoon, en informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang of een belang van de melder onnodig of onevenredig kan worden geschaad.
4. De secretaris-generaal en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie stellen onverwijld een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand indien de melding betrekking heeft op een gezamenlijk team van de AIVD en MIVD.
5. Artikel 8, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt, namens de secretaris-generaal en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie, verricht door een gezamenlijke commissie.
7. Indien gedurende het onderzoek blijkt dat de melding voornamelijk betrekking heeft op één van de diensten, kan er, met wederzijdse instemming, besloten worden dat het onderzoek verder zal worden verricht door de dienst op welke de melding voornamelijk betrekking heeft.
8. De gezamenlijke commissie rapporteert haar bevindingen, door tussenkomst van de directeur-generaal of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend directeur-generaal en de directeur van de MIVD, aan de secretaris-generaal en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie.
9. De secretaris-generaal en het bevoegd gezag van het Ministerie van Defensie stellen de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon, binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
10. Artikel 9, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de melding betrekking heeft op een of meer gezamenlijke teams van de AIVD en MIVD, dienen de diensten elkaar onverwijld in kennis te stellen van een dergelijke melding en de datum waarop deze is ontvangen.
3. Indien de melding wordt gericht aan de AIVD bevestigt de secretaris-generaal, in overeenstemming met de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie, de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder, al dan niet door tussenkomst van de vertrouwenspersoon, en informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang of een belang van de melder onnodig of onevenredig kan worden geschaad.
4. De secretaris-generaal en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie stellen onverwijld een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand indien de melding betrekking heeft op een gezamenlijk team van de AIVD en MIVD.
5. Artikel 8, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt, namens de secretaris-generaal en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie, verricht door een gezamenlijke commissie.
7. Indien gedurende het onderzoek blijkt dat de melding voornamelijk betrekking heeft op één van de diensten, kan er, met wederzijdse instemming, besloten worden dat het onderzoek verder zal worden verricht door de dienst op welke de melding voornamelijk betrekking heeft.
8. De gezamenlijke commissie rapporteert haar bevindingen, door tussenkomst van de directeur-generaal of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend directeur-generaal en de directeur van de MIVD, aan de secretaris-generaal en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie.
9. De secretaris-generaal en het bevoegd gezag van het Ministerie van Defensie stellen de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon, binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
10. Artikel 9, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.