BWBR0041130
Geldig vanaf 2018-07-11
Artikel 11
Procedureregeling met betrekking tot het behandelen van meldingen inzake vermoedens van misstanden AIVD
1. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon, die bezwaar maakt of een gerechtelijke procedure instelt, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van die procedure, op voorwaarde dat:
a. de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling als gevolg van een melding dan wel de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling van de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon als gevolg van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon;
b. de benadeling, bedoeld in onderdeel a, heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat de melding is afgehandeld.
2. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon, een lid van de interne commissie of een lid van de gezamenlijke commissie die zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen beslissing of handeling die naar zijn oordeel een benadeling inhoudt als gevolg van een melding of van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon dan wel als lid van de interne of gezamenlijke commissie, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten, indien:
a. het voornemen is kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde termijn, en
b. in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat de voorgenomen beslissing of handeling het gevolg is van de melding of van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon, dan wel lid van de interne of gezamenlijke commissie.
3. Een verzoek om een tegemoetkoming in de kosten, zoals bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt gericht aan de secretaris-generaal.
4. Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
a. de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling als gevolg van een melding dan wel de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling van de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon als gevolg van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon;
b. de benadeling, bedoeld in onderdeel a, heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat de melding is afgehandeld.
2. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon, een lid van de interne commissie of een lid van de gezamenlijke commissie die zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen beslissing of handeling die naar zijn oordeel een benadeling inhoudt als gevolg van een melding of van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon dan wel als lid van de interne of gezamenlijke commissie, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten, indien:
a. het voornemen is kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde termijn, en
b. in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat de voorgenomen beslissing of handeling het gevolg is van de melding of van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon, dan wel lid van de interne of gezamenlijke commissie.
3. Een verzoek om een tegemoetkoming in de kosten, zoals bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt gericht aan de secretaris-generaal.
4. Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.