BWBR0039849
Geldig vanaf 2017-07-13
Artikel 9
Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel
1. De defensie-ambtenaar bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b, heeft – met inachtneming van het tweede tot en met het zevende lid – aanspraak op een verhoging van zijn toelage-buitenland voor ieder van zijn kinderen, indien: a. ten behoeve van dat kind aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, en/of het Bundeskindergeldgesetz of het Einkommengesetz, of
b. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aan dat kind een basisbeurs is toegekend dan wel naar het oordeel van de commandant een basisbeurs zou zijn toegekend indien dat kind zijn studie in Nederland zou hebben gevolgd.
a. ten behoeve van dat kind aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, en/of het Bundeskindergeldgesetz of het Einkommengesetz, of
b. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aan dat kind een basisbeurs is toegekend dan wel naar het oordeel van de commandant een basisbeurs zou zijn toegekend indien dat kind zijn studie in Nederland zou hebben gevolgd.
2. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat voor een kind dat verblijft in het gebied van plaatsing van de defensie-ambtenaar, mits dat verblijf uitsluitend het gevolg is van de plaatsing aldaar van die defensie-ambtenaar en de datum van aankomst van het kind in dat gebied is gelegen omstreeks of na de datum van plaatsing van de defensie-ambtenaar in het betreffende gebied. De verhoging bestaat uit een basisbedrag en de duurtecorrectie, indien deze positief is, berekend over een door de minister vastgesteld bedrag gebaseerd op de gemiddelde kinderbijslag per maand voor de eerste twee kinderen. Die bedragen zijn opgenomen in tabel 5.
3. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat voor een kind dat voor het volgen van onderwijs metterwoon in Nederland verblijft en wiens tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met dat onderwijs. Het bedrag van de verhoging wordt vastgesteld met toepassing van tabel 6.
4. De aanspraak op de verhoging, bedoeld in het derde lid, blijft behouden indien het samenwonen met de gezinsleden wordt onderbroken voor een termijn van niet langer dan drie maanden, indien aan de voorwaarden die voor het verkrijgen van de aanspraak op die verhoging zijn gesteld, na het samenwonen weer volledig wordt voldaan.
5. Voor een kind waarvoor de aanspraak op kinderbijslag pas ontstaat op de eerste dag van het kwartaal volgende op dat waarin het kind is aangekomen of geboren in het gebied van plaatsing van de defensie-ambtenaar, gaat de aanspraak op de verhoging in op de dag van aankomst, onderscheidenlijk van de geboorte, in dat gebied.
6. Indien een aangehuwd of pleegkind pas tijdens de plaatsing van de defensie-ambtenaar in een gebied buiten Nederland tot de gezinsleden van de defensie-ambtenaar gaat behoren, gaat de aanspraak op de verhoging van de toelage-buitenland in met ingang van de dag waarop het kind tot de gezinsleden gaat behoren.
7. Indien de aanspraak op kinderbijslag, de basisbeurs, of de fictieve basisbeurs, bedoeld in het eerste lid, voor een kind eindigt, vervalt ten aanzien van dat kind de aanspraak op de verhoging met ingang van de dag waarop die verandering plaatsvindt.
b. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aan dat kind een basisbeurs is toegekend dan wel naar het oordeel van de commandant een basisbeurs zou zijn toegekend indien dat kind zijn studie in Nederland zou hebben gevolgd.
a. ten behoeve van dat kind aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, en/of het Bundeskindergeldgesetz of het Einkommengesetz, of
b. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aan dat kind een basisbeurs is toegekend dan wel naar het oordeel van de commandant een basisbeurs zou zijn toegekend indien dat kind zijn studie in Nederland zou hebben gevolgd.
2. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat voor een kind dat verblijft in het gebied van plaatsing van de defensie-ambtenaar, mits dat verblijf uitsluitend het gevolg is van de plaatsing aldaar van die defensie-ambtenaar en de datum van aankomst van het kind in dat gebied is gelegen omstreeks of na de datum van plaatsing van de defensie-ambtenaar in het betreffende gebied. De verhoging bestaat uit een basisbedrag en de duurtecorrectie, indien deze positief is, berekend over een door de minister vastgesteld bedrag gebaseerd op de gemiddelde kinderbijslag per maand voor de eerste twee kinderen. Die bedragen zijn opgenomen in tabel 5.
3. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat voor een kind dat voor het volgen van onderwijs metterwoon in Nederland verblijft en wiens tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met dat onderwijs. Het bedrag van de verhoging wordt vastgesteld met toepassing van tabel 6.
4. De aanspraak op de verhoging, bedoeld in het derde lid, blijft behouden indien het samenwonen met de gezinsleden wordt onderbroken voor een termijn van niet langer dan drie maanden, indien aan de voorwaarden die voor het verkrijgen van de aanspraak op die verhoging zijn gesteld, na het samenwonen weer volledig wordt voldaan.
5. Voor een kind waarvoor de aanspraak op kinderbijslag pas ontstaat op de eerste dag van het kwartaal volgende op dat waarin het kind is aangekomen of geboren in het gebied van plaatsing van de defensie-ambtenaar, gaat de aanspraak op de verhoging in op de dag van aankomst, onderscheidenlijk van de geboorte, in dat gebied.
6. Indien een aangehuwd of pleegkind pas tijdens de plaatsing van de defensie-ambtenaar in een gebied buiten Nederland tot de gezinsleden van de defensie-ambtenaar gaat behoren, gaat de aanspraak op de verhoging van de toelage-buitenland in met ingang van de dag waarop het kind tot de gezinsleden gaat behoren.
7. Indien de aanspraak op kinderbijslag, de basisbeurs, of de fictieve basisbeurs, bedoeld in het eerste lid, voor een kind eindigt, vervalt ten aanzien van dat kind de aanspraak op de verhoging met ingang van de dag waarop die verandering plaatsvindt.