BWBR0039849
Geldig vanaf 2017-07-13
Artikel 20
Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel
1. Aan de defensie-ambtenaar die voor ten minste zes achtereenvolgende maanden is of wordt geplaatst in een gebied buiten Nederland kan een renteloze lening worden verstrekt ter bestrijding van de aanloopkosten verbonden aan het verblijf in dat gebied.
2. De lening wordt berekend over ten hoogste twaalf maanden en bedraagt voor iedere maand dat de defensie-ambtenaar naar verwachting zal zijn geplaatst in dat gebied, niet meer dan één twaalfde deel van de som van het salaris en de toelage-buitenland, bedoeld in artikel 7, waarop de defensie-ambtenaar op de datum van die plaatsing aanspraak heeft.
3. De lening wordt niet eerder verstrekt dan één maand voor de datum van plaatsing of uiterlijk twee maanden nadat de defensie-ambtenaar, dan wel zijn gezinsleden – indien die pas na datum in het gebied van plaatsing aankomen – in dat gebied zijn aangekomen.
4. De aflossing van de lening geschiedt vóór het einde van de plaatsing in ten hoogste zesendertig gelijke maandelijkse opeenvolgende termijnen, aanvangende met de maand volgende op die waarin de lening is verstrekt.
5. Indien de lening niet wordt opgenomen in het tijdvak genoemd in het derde lid, dan kan aan de defensieambtenaar een renteloze lening worden verstrekt ter bestrijding van de aanloopkosten verbonden aan zijn terugkeer in Nederland.
6. De lening bedoeld in het vijfde lid bedraagt niet meer dan driemaal het salaris waarop de defensieambtenaar op de datum van plaatsing in Nederland aanspraak heeft.
7. De aflossing van de lening bedoeld in het vijfde lid geschiedt in ten hoogste 24 gelijke maandelijkse opeenvolgende termijnen, aanvangende met de maand volgende waarop die waarin de lening is verstrekt.
8. De lening bedoeld in het vijfde lid wordt naar rato verlaagd indien de defensieambtenaar binnen een periode van 24 maanden na terugkeer in Nederland de dienst zal verlaten.
2. De lening wordt berekend over ten hoogste twaalf maanden en bedraagt voor iedere maand dat de defensie-ambtenaar naar verwachting zal zijn geplaatst in dat gebied, niet meer dan één twaalfde deel van de som van het salaris en de toelage-buitenland, bedoeld in artikel 7, waarop de defensie-ambtenaar op de datum van die plaatsing aanspraak heeft.
3. De lening wordt niet eerder verstrekt dan één maand voor de datum van plaatsing of uiterlijk twee maanden nadat de defensie-ambtenaar, dan wel zijn gezinsleden – indien die pas na datum in het gebied van plaatsing aankomen – in dat gebied zijn aangekomen.
4. De aflossing van de lening geschiedt vóór het einde van de plaatsing in ten hoogste zesendertig gelijke maandelijkse opeenvolgende termijnen, aanvangende met de maand volgende op die waarin de lening is verstrekt.
5. Indien de lening niet wordt opgenomen in het tijdvak genoemd in het derde lid, dan kan aan de defensieambtenaar een renteloze lening worden verstrekt ter bestrijding van de aanloopkosten verbonden aan zijn terugkeer in Nederland.
6. De lening bedoeld in het vijfde lid bedraagt niet meer dan driemaal het salaris waarop de defensieambtenaar op de datum van plaatsing in Nederland aanspraak heeft.
7. De aflossing van de lening bedoeld in het vijfde lid geschiedt in ten hoogste 24 gelijke maandelijkse opeenvolgende termijnen, aanvangende met de maand volgende waarop die waarin de lening is verstrekt.
8. De lening bedoeld in het vijfde lid wordt naar rato verlaagd indien de defensieambtenaar binnen een periode van 24 maanden na terugkeer in Nederland de dienst zal verlaten.