BWBR0035775
Geldig vanaf 2014-11-22
Artikel 6
Besluit sociale maatregelen herziening gerechtelijke kaart
1. Aan de rechterlijk ambtenaar, die herplaatsingskandidaat, potentiële herplaatsingskandidaat of potentiële standplaatswijziger is, wordt de verplichting tot terugbetaling van de aan hem op grond van artikel 5, eerste of tweede lid, toegekende vergoeding van scholingskosten niet opgelegd, indien aan hem binnen achttien maanden na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat, onderscheidenlijk de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in artikel 1, onderdeel e of g, op eigen verzoek ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de rechterlijke organisatie en anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, dan wel, indien het een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, aan hem ontslag wordt verleend op grond van artikel 36aaof 36ab van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
2. Aan de niet-rechterlijk ambtenaar, die potentiële herplaatsingskandidaat of potentiële standplaatswijziger is, wordt de verplichting tot terugbetaling van de aan hem op grond van artikel 5, derde of vierde lid, toegekende vergoeding van scholingskosten niet opgelegd, indien aan hem binnen achttien maanden na de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in artikel 1, onderdeel e of g, op zijn aanvraag ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de rechterlijke organisatie en anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, dan wel aan hem ontslag wordt verleend op grond van artikel 96of 96a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar of niet-rechterlijk ambtenaar:
a. wordt overwogen de disciplinaire maatregel van ontslag te nemen of, indien het een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, de procureur-generaal bij de Hoge Raad het opleggen van de disciplinaire maatregel van ontslag heeft gevorderd of door de functionele autoriteit van de rechterlijk ambtenaar hierom is verzocht; of
b. wordt overwogen hem ontslag op grond van artikel 49l van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, indien het een niet-rechterlijk ambtenaar betreft, of artikel 36z van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, indien het een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, te verlenen.
4. In afwijking van artikel 59, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglementwordt aan de niet-rechterlijk ambtenaar, die herplaatsingskandidaat is, de verplichting tot terugbetaling van de aan hem op grond van het tweede en derde lid van dat artikel toegekende vergoeding van scholingskosten niet opgelegd, indien aan hem binnen achttien maanden na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de rechterlijke organisatie en anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, dan wel aan hem ontslag wordt verleend op grond van artikel 96of 96a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
5. Aan de rechterlijk ambtenaar, die herplaatsingskandidaat is, wordt de verplichting tot terugbetaling, bedoeld in artikel 36q, vierde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, niet opgelegd, indien het een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft en aan hem ontslag wordt verleend op grond van artikel 36aaof 36ab van dat besluit.
2. Aan de niet-rechterlijk ambtenaar, die potentiële herplaatsingskandidaat of potentiële standplaatswijziger is, wordt de verplichting tot terugbetaling van de aan hem op grond van artikel 5, derde of vierde lid, toegekende vergoeding van scholingskosten niet opgelegd, indien aan hem binnen achttien maanden na de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in artikel 1, onderdeel e of g, op zijn aanvraag ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de rechterlijke organisatie en anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, dan wel aan hem ontslag wordt verleend op grond van artikel 96of 96a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar of niet-rechterlijk ambtenaar:
a. wordt overwogen de disciplinaire maatregel van ontslag te nemen of, indien het een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, de procureur-generaal bij de Hoge Raad het opleggen van de disciplinaire maatregel van ontslag heeft gevorderd of door de functionele autoriteit van de rechterlijk ambtenaar hierom is verzocht; of
b. wordt overwogen hem ontslag op grond van artikel 49l van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, indien het een niet-rechterlijk ambtenaar betreft, of artikel 36z van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, indien het een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, te verlenen.
4. In afwijking van artikel 59, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglementwordt aan de niet-rechterlijk ambtenaar, die herplaatsingskandidaat is, de verplichting tot terugbetaling van de aan hem op grond van het tweede en derde lid van dat artikel toegekende vergoeding van scholingskosten niet opgelegd, indien aan hem binnen achttien maanden na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de rechterlijke organisatie en anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, dan wel aan hem ontslag wordt verleend op grond van artikel 96of 96a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
5. Aan de rechterlijk ambtenaar, die herplaatsingskandidaat is, wordt de verplichting tot terugbetaling, bedoeld in artikel 36q, vierde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, niet opgelegd, indien het een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft en aan hem ontslag wordt verleend op grond van artikel 36aaof 36ab van dat besluit.