BWBR0035775
Geldig vanaf 2014-11-22
Artikel 14
Besluit sociale maatregelen herziening gerechtelijke kaart
1. De rechterlijk ambtenaar of niet-rechterlijk ambtenaar, die herplaatsingskandidaat is en aan wie op eigen verzoek of op zijn aanvraag ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de rechterlijke organisatie en anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, wordt op zijn verzoek bij de ontslagverlening het recht toegekend op hernieuwde benoeming, onderscheidenlijk hernieuwde aanstelling, overeenkomstig de benoeming, onderscheidenlijk aanstelling, voorafgaand aan het ontslag, met een salaris dat overeenkomt met het laatstelijk voorafgaand aan het ontslag genoten salaris.
2. Het recht op hernieuwde benoeming, onderscheidenlijk hernieuwde aanstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt indien aan de betrokken ambtenaar gedurende de eerste negen maanden dat hij de in het eerste lid bedoelde nieuwe functie vervult, uit die functie ontslag wordt verleend dat hem niet verwijtbaar is.
3. Het recht, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet toegekend, indien aan de ambtenaar in verband met het in het eerste lid bedoelde ontslag op grond van artikel 13een stimuleringspremie is toegekend of op grond van artikel 15een eenmalige vergoeding is toegekend.
4. Indien de ambtenaar gebruik maakt van het recht op hernieuwde benoeming, onderscheidenlijk hernieuwde aanstelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aan hem de status van herplaatsingskandidaat verleend, waarbij de periode gedurende welke hij voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde ontslag herplaatsingskandidaat is geweest in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn, met dien verstande dat de nieuwe herplaatsingstermijn ten minste drie maanden bedraagt.
5. In geval van hernieuwde benoeming, onderscheidenlijk hernieuwde aanstelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt dat:
a. indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die voorafgaand aan zijn ontslag werkzaam was bij een rechtbank, gerechtshof of een tot het openbaar ministerie behorend parket, ten aanzien van hem wordt vastgesteld dat hij zijn ambt vervult bij datzelfde gerecht of parket, dan wel bij het gerecht of parket waarvan het rechtsgebied dat van het gerecht of parket waarbij hij laatstelijk werkzaam was omvat;
b. indien het een niet-rechterlijk ambtenaar betreft die voorafgaand aan zijn ontslag werkzaam was bij een rechtbank, gerechtshof, een tot het openbaar ministerie behorend parket of een onder de Raad voor de rechtspraak of het College van procureurs-generaal ressorterende dienst, hij wordt tewerkgesteld of, indien het een niet-rechterlijk ambtenaar betreft die in tijdelijke dienst was aangesteld, aangesteld bij datzelfde gerecht of parket of bij dezelfde dienst, dan wel bij het gerecht of parket waarvan het rechtsgebied dat van het gerecht of parket waarbij hij laatstelijk werkzaam was omvat of bij het tot de rechterlijke organisatie behorende onderdeel dat de taken van de dienst waarbij hij laatstelijk werkzaam was vervult.
2. Het recht op hernieuwde benoeming, onderscheidenlijk hernieuwde aanstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt indien aan de betrokken ambtenaar gedurende de eerste negen maanden dat hij de in het eerste lid bedoelde nieuwe functie vervult, uit die functie ontslag wordt verleend dat hem niet verwijtbaar is.
3. Het recht, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet toegekend, indien aan de ambtenaar in verband met het in het eerste lid bedoelde ontslag op grond van artikel 13een stimuleringspremie is toegekend of op grond van artikel 15een eenmalige vergoeding is toegekend.
4. Indien de ambtenaar gebruik maakt van het recht op hernieuwde benoeming, onderscheidenlijk hernieuwde aanstelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aan hem de status van herplaatsingskandidaat verleend, waarbij de periode gedurende welke hij voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde ontslag herplaatsingskandidaat is geweest in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn, met dien verstande dat de nieuwe herplaatsingstermijn ten minste drie maanden bedraagt.
5. In geval van hernieuwde benoeming, onderscheidenlijk hernieuwde aanstelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt dat:
a. indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die voorafgaand aan zijn ontslag werkzaam was bij een rechtbank, gerechtshof of een tot het openbaar ministerie behorend parket, ten aanzien van hem wordt vastgesteld dat hij zijn ambt vervult bij datzelfde gerecht of parket, dan wel bij het gerecht of parket waarvan het rechtsgebied dat van het gerecht of parket waarbij hij laatstelijk werkzaam was omvat;
b. indien het een niet-rechterlijk ambtenaar betreft die voorafgaand aan zijn ontslag werkzaam was bij een rechtbank, gerechtshof, een tot het openbaar ministerie behorend parket of een onder de Raad voor de rechtspraak of het College van procureurs-generaal ressorterende dienst, hij wordt tewerkgesteld of, indien het een niet-rechterlijk ambtenaar betreft die in tijdelijke dienst was aangesteld, aangesteld bij datzelfde gerecht of parket of bij dezelfde dienst, dan wel bij het gerecht of parket waarvan het rechtsgebied dat van het gerecht of parket waarbij hij laatstelijk werkzaam was omvat of bij het tot de rechterlijke organisatie behorende onderdeel dat de taken van de dienst waarbij hij laatstelijk werkzaam was vervult.