BWBR0035248
Geldig vanaf 2024-03-06
Artikel 5.10
Regeling houders van dieren
1. Na ontwatering wordt een aal gedurende ten minste één seconde blootgesteld aan een elektrische stroomsterkte van ten minste 1,3 A rmsgemiddeld, bij een golfvorm die bestaat uit een combinatie van een wisselstroom van 100 Hz ac sinusvormig en een gelijkstroom.
2. Om te voorkomen dat de aal bijkomt gedurende het dodingsproces, wordt de aal na de blootstelling, bedoeld in het eerste lid, gedurende ten minste negentien seconden blootgesteld aan een elektrische stroomsterkte van ten minste 0,66 A rmsgemiddeld.
3. De aal wordt pas blootgesteld aan de elektrische stroom op het moment dat deze zich tussen de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt.
4. De huid van de aal is vochtig gedurende de gehele periode van blootstelling aan de elektrische stroom.
5. Aal die zich buiten de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt, maakt geen contact met aal die zich tussen de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt.
6. Aal die zich buiten de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt, wordt niet blootgesteld aan statische elektriciteit.
7. Om te voorkomen dat bedwelmde aal bijkomt voordat het dodingsproces is voltooid, bedraagt het tijdsinterval tussen de blootstelling aan de elektrische stroom en de aanvang van het dodingsproces niet meer dan zestig seconden, welk tijdsinterval ingaat op het moment dat de aal niet meer is blootgesteld aan de elektrische stroom.
2. Om te voorkomen dat de aal bijkomt gedurende het dodingsproces, wordt de aal na de blootstelling, bedoeld in het eerste lid, gedurende ten minste negentien seconden blootgesteld aan een elektrische stroomsterkte van ten minste 0,66 A rmsgemiddeld.
3. De aal wordt pas blootgesteld aan de elektrische stroom op het moment dat deze zich tussen de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt.
4. De huid van de aal is vochtig gedurende de gehele periode van blootstelling aan de elektrische stroom.
5. Aal die zich buiten de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt, maakt geen contact met aal die zich tussen de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt.
6. Aal die zich buiten de elektroden van het bedwelmingsapparaat bevindt, wordt niet blootgesteld aan statische elektriciteit.
7. Om te voorkomen dat bedwelmde aal bijkomt voordat het dodingsproces is voltooid, bedraagt het tijdsinterval tussen de blootstelling aan de elektrische stroom en de aanvang van het dodingsproces niet meer dan zestig seconden, welk tijdsinterval ingaat op het moment dat de aal niet meer is blootgesteld aan de elektrische stroom.