BWBR0034266
Geldig vanaf 2013-12-03
Artikel 4
Regeling voorschrijfbevoegdheid verpleegkundigen
1. Als bevoegd tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen op het gebied van de oncologie wordt aangewezen:
a. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
b. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift vanaf 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding onder het toezicht staat van het CZO; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
1°. in het bezit is van een getuigschrift vanaf 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding onder het toezicht staat van het CZO; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
c. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven tussen 2002 en 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en voor die opleiding een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
1°. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven tussen 2002 en 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en voor die opleiding een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
d. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift van vóór 2002 waaruit blijkt dat betrokkene een vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding is verzorgd door een zorginstelling die voor die opleiding in de periode van 2002 tot en met 2008 een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten.
1°. in het bezit is van een getuigschrift van vóór 2002 waaruit blijkt dat betrokkene een vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding is verzorgd door een zorginstelling die voor die opleiding in de periode van 2002 tot en met 2008 een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden.
3. De module farmacotherapie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2° en onderdeel c, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:
1°. de hogeschool of de zorginstelling die de module verzorgt, als voorwaarde hanteert voor toelating van de verpleegkundige op het gebied van oncologie tot de module, dat de betrokkene ten minste 24 uren per week werkzaam is als verpleegkundige op het gebied van oncologie;
2°. de module is verbonden aan een hogeschool, die tevens een door de NVAO de geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt, of onder toezicht staat van het CZO;
3°. de module ten minste achttien theorie-uren kent en een studielast heeft van 70 studie-uren;
4°. de modulecompetenties zijn ontleend aan de competenties uit een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de oncologie door de V&VN is vastgesteld en zijn vertaald in een moduleprofiel;
5°. het personeelsbestand en het moduleprogramma van de zorginstelling of de hogeschool zodanig zijn samengesteld dat de beoogde modulecompetenties kunnen worden gerealiseerd; en
6°. de zorginstelling of hogeschool die de module verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde modulecompetenties worden gerealiseerd.
a. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
b. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift vanaf 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding onder het toezicht staat van het CZO; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
1°. in het bezit is van een getuigschrift vanaf 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding onder het toezicht staat van het CZO; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
c. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven tussen 2002 en 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en voor die opleiding een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
1°. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven tussen 2002 en 2006 waaruit blijkt dat betrokkene een door een zorginstelling verzorgde vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en voor die opleiding een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten;
d. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift van vóór 2002 waaruit blijkt dat betrokkene een vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding is verzorgd door een zorginstelling die voor die opleiding in de periode van 2002 tot en met 2008 een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten.
1°. in het bezit is van een getuigschrift van vóór 2002 waaruit blijkt dat betrokkene een vervolgopleiding tot verpleegkundige op het gebied van oncologie met goed gevolg heeft afgesloten en die opleiding is verzorgd door een zorginstelling die voor die opleiding in de periode van 2002 tot en met 2008 een erkenning door de LRVV heeft verkregen; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel, met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden.
3. De module farmacotherapie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2° en onderdeel c, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:
1°. de hogeschool of de zorginstelling die de module verzorgt, als voorwaarde hanteert voor toelating van de verpleegkundige op het gebied van oncologie tot de module, dat de betrokkene ten minste 24 uren per week werkzaam is als verpleegkundige op het gebied van oncologie;
2°. de module is verbonden aan een hogeschool, die tevens een door de NVAO de geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt, of onder toezicht staat van het CZO;
3°. de module ten minste achttien theorie-uren kent en een studielast heeft van 70 studie-uren;
4°. de modulecompetenties zijn ontleend aan de competenties uit een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de oncologie door de V&VN is vastgesteld en zijn vertaald in een moduleprofiel;
5°. het personeelsbestand en het moduleprogramma van de zorginstelling of de hogeschool zodanig zijn samengesteld dat de beoogde modulecompetenties kunnen worden gerealiseerd; en
6°. de zorginstelling of hogeschool die de module verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde modulecompetenties worden gerealiseerd.