BWBR0034266
Geldig vanaf 2013-12-03
Artikel 2
Regeling voorschrijfbevoegdheid verpleegkundigen
1. Als bevoegd tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen op het gebied van diabetes mellitus wordt aangewezen:
a. de verpleegkundige die in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat deze met goed gevolg een door de Minister aangewezen post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus heeft afgesloten;
b. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus aan de Hogeschool van Rotterdam of de Hogeschool van Utrecht met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten;
1°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus aan de Hogeschool van Rotterdam of de Hogeschool van Utrecht met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten;
c. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift van de Stichting Specifieke Scholing Verpleegkundigen dan wel van een getuigschrift dat na 30 oktober 2009 is afgegeven door de Stichting Sint Antonius Ziekenhuis waaruit blijkt dat de betrokkene de op het getuigschrift betrekking hebbende vervolgopleiding diabetes mellitus met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten.
1°. in het bezit is van een getuigschrift van de Stichting Specifieke Scholing Verpleegkundigen dan wel van een getuigschrift dat na 30 oktober 2009 is afgegeven door de Stichting Sint Antonius Ziekenhuis waaruit blijkt dat de betrokkene de op het getuigschrift betrekking hebbende vervolgopleiding diabetes mellitus met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan door de Minister worden aangewezen indien:
1°. de hogeschool die de opleiding verzorgt, de volgende voorwaarden hanteert om de verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding toe te laten: – betrokkene heeft een aanstelling voor ten minste achttien uren per week als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding;
– er is een relevant geschoolde mentor op de werkplek beschikbaar die de praktijkopdrachten van de betrokkene begeleidt; en
– tussen de betrokkene en de werkgever is een leerwerkovereenkomst gesloten waarin in ieder geval afspraken over de praktijkbegeleiding tussen de werkgever en de betrokken verpleegkundige zijn vastgelegd;
– betrokkene heeft een aanstelling voor ten minste achttien uren per week als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding;
– er is een relevant geschoolde mentor op de werkplek beschikbaar die de praktijkopdrachten van de betrokkene begeleidt; en
– tussen de betrokkene en de werkgever is een leerwerkovereenkomst gesloten waarin in ieder geval afspraken over de praktijkbegeleiding tussen de werkgever en de betrokken verpleegkundige zijn vastgelegd;
2°. de opleiding is verbonden aan een hogeschool die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
3°. de opleiding ten minste twaalf maanden duurt;
4°. de opleiding ten minste dertig contactdagen kent en een studielast heeft van ten minste 24 studiepunten waarvan de module farmacotherapie onderdeel uitmaakt en bestaat uit ten minste drie contactdagen en 2,5 studiepunten;
5°. de opleidingscompetenties zijn ontleend aan een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de diabetes mellitus door de EADV is vastgesteld en die zijn vertaald in een opleidingsprofiel;
6°. het personeel en het opleidingsprogramma van de hogeschool het mogelijk maken de beoogde opleidingscompetenties te realiseren; en
7°. de hogeschool die de opleiding verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde opleidingscompetenties worden gerealiseerd.
3. De module farmacotherapie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:
1°. de hogeschool, die de module verzorgt, als voorwaarde hanteert voor toelating van de verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus tot de module, dat de betrokkene ten minste achttien uren per week werkzaam is als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus;
2°. de module is verbonden aan een hogeschool, die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
3°. de module ten minste drie contactdagen kent en een studielast heeft van 2,5 studiepunten;
4°. de modulecompetenties zijn ontleend aan de competenties uit een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de diabetes mellitus door de EADV is vastgesteld en die zijn vertaald in een moduleprofiel;
5°. het personeel en het moduleprogramma van de hogeschool het mogelijk maken de beoogde modulecompetenties te realiseren; en
6°. de hogeschool die de module verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde modulecompetenties worden gerealiseerd.
a. de verpleegkundige die in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat deze met goed gevolg een door de Minister aangewezen post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus heeft afgesloten;
b. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus aan de Hogeschool van Rotterdam of de Hogeschool van Utrecht met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten;
1°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus aan de Hogeschool van Rotterdam of de Hogeschool van Utrecht met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten;
c. de verpleegkundige die: 1°. in het bezit is van een getuigschrift van de Stichting Specifieke Scholing Verpleegkundigen dan wel van een getuigschrift dat na 30 oktober 2009 is afgegeven door de Stichting Sint Antonius Ziekenhuis waaruit blijkt dat de betrokkene de op het getuigschrift betrekking hebbende vervolgopleiding diabetes mellitus met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten.
1°. in het bezit is van een getuigschrift van de Stichting Specifieke Scholing Verpleegkundigen dan wel van een getuigschrift dat na 30 oktober 2009 is afgegeven door de Stichting Sint Antonius Ziekenhuis waaruit blijkt dat de betrokkene de op het getuigschrift betrekking hebbende vervolgopleiding diabetes mellitus met goed gevolg heeft afgesloten; en
2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan door de Minister worden aangewezen indien:
1°. de hogeschool die de opleiding verzorgt, de volgende voorwaarden hanteert om de verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding toe te laten: – betrokkene heeft een aanstelling voor ten minste achttien uren per week als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding;
– er is een relevant geschoolde mentor op de werkplek beschikbaar die de praktijkopdrachten van de betrokkene begeleidt; en
– tussen de betrokkene en de werkgever is een leerwerkovereenkomst gesloten waarin in ieder geval afspraken over de praktijkbegeleiding tussen de werkgever en de betrokken verpleegkundige zijn vastgelegd;
– betrokkene heeft een aanstelling voor ten minste achttien uren per week als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding;
– er is een relevant geschoolde mentor op de werkplek beschikbaar die de praktijkopdrachten van de betrokkene begeleidt; en
– tussen de betrokkene en de werkgever is een leerwerkovereenkomst gesloten waarin in ieder geval afspraken over de praktijkbegeleiding tussen de werkgever en de betrokken verpleegkundige zijn vastgelegd;
2°. de opleiding is verbonden aan een hogeschool die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
3°. de opleiding ten minste twaalf maanden duurt;
4°. de opleiding ten minste dertig contactdagen kent en een studielast heeft van ten minste 24 studiepunten waarvan de module farmacotherapie onderdeel uitmaakt en bestaat uit ten minste drie contactdagen en 2,5 studiepunten;
5°. de opleidingscompetenties zijn ontleend aan een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de diabetes mellitus door de EADV is vastgesteld en die zijn vertaald in een opleidingsprofiel;
6°. het personeel en het opleidingsprogramma van de hogeschool het mogelijk maken de beoogde opleidingscompetenties te realiseren; en
7°. de hogeschool die de opleiding verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde opleidingscompetenties worden gerealiseerd.
3. De module farmacotherapie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:
1°. de hogeschool, die de module verzorgt, als voorwaarde hanteert voor toelating van de verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus tot de module, dat de betrokkene ten minste achttien uren per week werkzaam is als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus;
2°. de module is verbonden aan een hogeschool, die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
3°. de module ten minste drie contactdagen kent en een studielast heeft van 2,5 studiepunten;
4°. de modulecompetenties zijn ontleend aan de competenties uit een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de diabetes mellitus door de EADV is vastgesteld en die zijn vertaald in een moduleprofiel;
5°. het personeel en het moduleprogramma van de hogeschool het mogelijk maken de beoogde modulecompetenties te realiseren; en
6°. de hogeschool die de module verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde modulecompetenties worden gerealiseerd.