BWBR0033498
Geldig vanaf 2013-10-01
Artikel 11
Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW
1. Indien de hoogte van de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4, vastgesteld op grond van de artikelen 8 tot en met 10, meer bedraagt dan het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5, over de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin een rechthebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt de hoogte van de overbruggingsuitkering vastgesteld op het lagere bedrag van dat inkomen.
2. Indien de hoogte van de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4, vastgesteld op grond van de artikelen 8 tot en met 10, meer bedraagt dan het verschil tussen het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5voorafgaand aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, en het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 dat is verlaagd bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, wordt de overbruggingsuitkering vastgesteld ter hoogte van dat verschil.
3. Indien een uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5ingaat vóór of op 1 januari 2013 maar in of na de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin een rechthebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt in afwijking van het eerste lid het inkomen in aanmerking genomen over de kalendermaand volgend op de maand waarin het recht op een uitkering op grond van die regeling ingaat.
2. Indien de hoogte van de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4, vastgesteld op grond van de artikelen 8 tot en met 10, meer bedraagt dan het verschil tussen het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5voorafgaand aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, en het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 dat is verlaagd bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, wordt de overbruggingsuitkering vastgesteld ter hoogte van dat verschil.
3. Indien een uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5ingaat vóór of op 1 januari 2013 maar in of na de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin een rechthebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt in afwijking van het eerste lid het inkomen in aanmerking genomen over de kalendermaand volgend op de maand waarin het recht op een uitkering op grond van die regeling ingaat.