BWBR0031387
Geldig vanaf 2015-08-08
Artikel 28
Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs
1. De aanvullende middelen voor een school in een kalenderjaar bestaan uit:
a. een vast bedrag dat per schooljaar kan verschillen, berekend op grond van artikel 29; en
b. een variabel bedrag dat per schooljaar, per schoolsoort en leerjaren kan verschillen, berekend op grond van de artikelen 30 tot en met 32.
2. Bij de berekening van het vast bedrag, bedoeld in de artikel 29, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2011;
b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2012;
c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2013; en
d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2014.
3. Bij de berekening van het variabel bedrag, bedoeld in de artikelen 30 tot en met 32, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2012;
b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2013;
c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2014; en
d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2015.
a. een vast bedrag dat per schooljaar kan verschillen, berekend op grond van artikel 29; en
b. een variabel bedrag dat per schooljaar, per schoolsoort en leerjaren kan verschillen, berekend op grond van de artikelen 30 tot en met 32.
2. Bij de berekening van het vast bedrag, bedoeld in de artikel 29, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2011;
b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2012;
c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2013; en
d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2014.
3. Bij de berekening van het variabel bedrag, bedoeld in de artikelen 30 tot en met 32, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2012;
b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2013;
c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2014; en
d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2015.