BWBR0031141
Geldig vanaf 25-12-2011
Artikel 11
Verordening slachting, weging en classificatie slachtrunderen (PVV) 2011
1. De be- of verwerker is gehouden de geslachte slachtrunderen binnen 45 minuten na de eerste handeling die plaatsvindt nadat de slachthaak in het karkas gestoken is te wegen, behoudens het bepaalde in artikel 12, derde lid.
2. Bij de weging wordt gebruik gemaakt van een krachtens de Metrologiewet (Stb. 2006, 137) goedgekeurd weegwerktuig uit de klasse III. De automatisch bediende afdrukinrichting moet per individuele weging het tijdstip in minuten en uren, de datum der weging en het individuele merk of het volgnummer afdrukken, terwijl het weegwerktuig met de haken tezamen in ledige toestand de nulstand moet aangeven. De gebruikte haken moeten alle van hetzelfde gewicht zijn.
3. De be- of verwerker is gehouden om, ten behoeve van herweging door de controleorganisatie, te beschikken over een voorziening om de slachtrunderen na het tijdstip van weging en voor de koeling uit te railen. Van het voor herweging aangewezen slachtrund mag tot na de herweging niets worden afgesneden.
4. Ten minste éénmaal per drie jaar dient het weegwerktuig gecontroleerd te worden door het NMi of door een door het NMi erkende instantie.
5. De be- of verwerker is gehouden om, ten behoeve van de controle van het weegwerktuig door de toezichthouder, een aantal van een geldig ijkmerk voorziene toetsgewichten van 20 en 25 kilogram bij het weegwerktuig voorhanden te hebben tot een totaalgewicht van ten minste 400 kilogram. Indien het wegen wordt uitgevoerd conform het gestelde in het tiende lid, is de be- of verwerker gehouden een aantal van een geldig ijkmerk voorziene toetsgewichten van 20 en 25 kilogram bij het weegwerktuig voorhanden te hebben tot een totaalgewicht van ten minste 200 kilogram.
6. Ten minste eenmaal per drie jaar dienen de toetsgewichten gecontroleerd te worden door een hiertoe geaccrediteerde instantie.
7. Indien er tijdens de onder het vierde en zesde lid, bedoelde controles onregelmatigheden ten aanzien van het weegwerktuig of de toetsgewichten geconstateerd worden, dan is de be- of verwerker gehouden tot onverwijld herstel van deze onregelmatigheden.
8. De be- of verwerker stelt de controleorganisatie onverwijld in het bezit van een afschrift van het kalibratierapport waaruit volgt dat geen onregelmatigheden zijn geconstateerd, dan wel dat eventueel geconstateerde onregelmatigheden zijn hersteld.
9. De be- of verwerker is gehouden ervoor zorg te dragen, dat de weging ook overigens zodanig geschiedt, dat daardoor de vaststelling van het geslachte gewicht niet onjuist wordt beïnvloed.
10. Indien bij de weging de twee karkashelften van eenzelfde slachtrund in één keer worden gewogen, is daarbij het door de afdrukinrichting afgedrukte gewicht bepalend.
11. Indien bij de weging de twee karkashelften van eenzelfde slachtrund afzonderlijk worden gewogen, worden deze beide gewichten bij elkaar opgeteld tot één gewogen gewicht. Na vaststelling van dit gewicht kan voor zover nodig afronding van het gewicht plaatsvinden.
2. Bij de weging wordt gebruik gemaakt van een krachtens de Metrologiewet (Stb. 2006, 137) goedgekeurd weegwerktuig uit de klasse III. De automatisch bediende afdrukinrichting moet per individuele weging het tijdstip in minuten en uren, de datum der weging en het individuele merk of het volgnummer afdrukken, terwijl het weegwerktuig met de haken tezamen in ledige toestand de nulstand moet aangeven. De gebruikte haken moeten alle van hetzelfde gewicht zijn.
3. De be- of verwerker is gehouden om, ten behoeve van herweging door de controleorganisatie, te beschikken over een voorziening om de slachtrunderen na het tijdstip van weging en voor de koeling uit te railen. Van het voor herweging aangewezen slachtrund mag tot na de herweging niets worden afgesneden.
4. Ten minste éénmaal per drie jaar dient het weegwerktuig gecontroleerd te worden door het NMi of door een door het NMi erkende instantie.
5. De be- of verwerker is gehouden om, ten behoeve van de controle van het weegwerktuig door de toezichthouder, een aantal van een geldig ijkmerk voorziene toetsgewichten van 20 en 25 kilogram bij het weegwerktuig voorhanden te hebben tot een totaalgewicht van ten minste 400 kilogram. Indien het wegen wordt uitgevoerd conform het gestelde in het tiende lid, is de be- of verwerker gehouden een aantal van een geldig ijkmerk voorziene toetsgewichten van 20 en 25 kilogram bij het weegwerktuig voorhanden te hebben tot een totaalgewicht van ten minste 200 kilogram.
6. Ten minste eenmaal per drie jaar dienen de toetsgewichten gecontroleerd te worden door een hiertoe geaccrediteerde instantie.
7. Indien er tijdens de onder het vierde en zesde lid, bedoelde controles onregelmatigheden ten aanzien van het weegwerktuig of de toetsgewichten geconstateerd worden, dan is de be- of verwerker gehouden tot onverwijld herstel van deze onregelmatigheden.
8. De be- of verwerker stelt de controleorganisatie onverwijld in het bezit van een afschrift van het kalibratierapport waaruit volgt dat geen onregelmatigheden zijn geconstateerd, dan wel dat eventueel geconstateerde onregelmatigheden zijn hersteld.
9. De be- of verwerker is gehouden ervoor zorg te dragen, dat de weging ook overigens zodanig geschiedt, dat daardoor de vaststelling van het geslachte gewicht niet onjuist wordt beïnvloed.
10. Indien bij de weging de twee karkashelften van eenzelfde slachtrund in één keer worden gewogen, is daarbij het door de afdrukinrichting afgedrukte gewicht bepalend.
11. Indien bij de weging de twee karkashelften van eenzelfde slachtrund afzonderlijk worden gewogen, worden deze beide gewichten bij elkaar opgeteld tot één gewogen gewicht. Na vaststelling van dit gewicht kan voor zover nodig afronding van het gewicht plaatsvinden.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0031141
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl