BWBR0030665
Geldig vanaf 2012-12-12
Artikel 2
Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009–2012
1. De minister verstrekt vergoedingen ten behoeve van instellingen aan wie op grond van de artikelen 4aof 4b van de wetvoor de jaren 2009 tot en met 2012 subsidie is verleend en waarvan een aanvraag tot subsidieverlening op grond van een van die artikelen voor de periode 2013 tot en met 2016 geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd.
2. De vergoeding wordt verstrekt in de vorm van een eenmalige subsidie in de tegemoetkoming van de kosten die instellingen moeten maken in de overgang naar een situatie waarin zij niet langer of een verminderd aandeel structurele subsidie van de minister ontvangen.
3. Kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking indien de minister of een ander bestuursorgaan al subsidie voor deze kosten heeft verleend of indien een derde zich heeft verbonden een vergoeding voor deze kosten te bieden, met welke subsidie onderscheidenlijk verbintenis die kosten redelijkerwijs kunnen worden opgevangen.
4. Onder gedeeltelijke weigering wordt in deze regeling verstaan een subsidieverlening voor de periode 2013 tot en met 2016 voor een bedrag dat ten minste tien procent lager is dan het bedrag dat door de minister is verleend voor de periode 2009 tot en met 2012.
2. De vergoeding wordt verstrekt in de vorm van een eenmalige subsidie in de tegemoetkoming van de kosten die instellingen moeten maken in de overgang naar een situatie waarin zij niet langer of een verminderd aandeel structurele subsidie van de minister ontvangen.
3. Kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking indien de minister of een ander bestuursorgaan al subsidie voor deze kosten heeft verleend of indien een derde zich heeft verbonden een vergoeding voor deze kosten te bieden, met welke subsidie onderscheidenlijk verbintenis die kosten redelijkerwijs kunnen worden opgevangen.
4. Onder gedeeltelijke weigering wordt in deze regeling verstaan een subsidieverlening voor de periode 2013 tot en met 2016 voor een bedrag dat ten minste tien procent lager is dan het bedrag dat door de minister is verleend voor de periode 2009 tot en met 2012.