BWBR0030288
Geldig vanaf 2024-11-26
Artikel 140p
Uitvoeringsregeling zeevisserij
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 10, vijfde lid, 11, vierde lid, 12, tweede lid, 13, zevende lid, en artikel 18, vijfde lid, van de verordening vangstmogelijkheden, de artikelen 4, zesde lid, 6, vijfde lid, en 19, vijfde lid, van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee, en de artikelen 9 en 10, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden Oostzee.
2. Het is verboden op zee, in het zeegebied, in de kustwateren, in de visserijvrije zone of in de onmiddellijke nabijheid van wateren:
a. in de artikel 10, vijfde lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
b. in de in artikel 10, vijfde lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode meer dan het in dat artikellid en onderdeel bedoelde aantal zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
c. meer dan het in artikel 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden;
d. meer dan het in artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
e. in de artikel 12, tweede lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
f. meer dan 25 stuks dan wel meer dan 20 kilogram kabeljauw voorhanden te hebben.
3. Het is verboden kabeljauw of overeenkomstig de artikelen 10, vijfde lid, onderdeel b, of 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen zeebaars of overeenkomstig artikel 12, tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen witte koolvis aan te landen die is gefileerd of is ontdaan van de kop.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeebaars, witte koolvis en kabeljauw die aantoonbaar afkomstig is van een vissersvaartuig.
5. Het tweede en derde lid zijn tevens van toepassing op of in de onmiddellijke nabijheid van met de wateren, genoemd in het tweede lid, in open verbinding staand binnenwater, tot ten hoogste 30 kilometer landinwaarts.
2. Het is verboden op zee, in het zeegebied, in de kustwateren, in de visserijvrije zone of in de onmiddellijke nabijheid van wateren:
a. in de artikel 10, vijfde lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
b. in de in artikel 10, vijfde lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode meer dan het in dat artikellid en onderdeel bedoelde aantal zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
c. meer dan het in artikel 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal zeebaars voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden;
d. meer dan het in artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
e. in de artikel 12, tweede lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde periode witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden;
f. meer dan 25 stuks dan wel meer dan 20 kilogram kabeljauw voorhanden te hebben.
3. Het is verboden kabeljauw of overeenkomstig de artikelen 10, vijfde lid, onderdeel b, of 11, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen zeebaars of overeenkomstig artikel 12, tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen witte koolvis aan te landen die is gefileerd of is ontdaan van de kop.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeebaars, witte koolvis en kabeljauw die aantoonbaar afkomstig is van een vissersvaartuig.
5. Het tweede en derde lid zijn tevens van toepassing op of in de onmiddellijke nabijheid van met de wateren, genoemd in het tweede lid, in open verbinding staand binnenwater, tot ten hoogste 30 kilometer landinwaarts.