BWBR0029692
Geldig vanaf 2011-03-08
Artikel 8
Regeling technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s en sleepkabels
1. Bedieningsorganen zijn alle organen die voor de lierman noodzakelijk zijn voor de bediening van de lier en de daarop aangebrachte installaties.
2. De uitslagen van de bedieningsorganen bij de lierman zijn begrensd door aanslagen die de belastingen kunnen opnemen waarvoor het bedieningsorgaan is ontworpen.
3. De bedieningsorganen zijn zodanig ontworpen, uitgevoerd en opgesteld dat zij geen aanleiding tot verwisseling geven en dat in de war raken van kabels, schuren en slingeren van kabels, kettingen of stootstangen tegen enig deel van de lier, alsmede beïnvloeding door bedieningspersoneel of losse voorwerpen, niet mogelijk is.
4. De bedieningsorganen zijn zodanig opgesteld ten opzichte van de standplaats van de lierman, dat de volle uitslag van elk van die organen gemakkelijk kan worden bereikt, ongehinderd door constructiedelen of de kleding van de lierman.
5. Kabels en kettingen zijn tegen aflopen of afvallen geborgd.
6. De bedieningsorganen veranderen niet van stand door trillen, schudden of schokken van de lier.
7. Kenmerkende standen van de bedieningsorganen worden van een opschrift voorzien indien dit noodzakelijk is om vergissingen te voorkomen.
8. Bedieningsorganen die uitsluitend in noodgevallen worden gebruikt, zijn duidelijk gekenmerkt en rood gekleurd. Andere bedieningsorganen zijn niet rood gekleurd.
9. De bewegingsrichting van de betreffende bedieningsorganen wordt beschouwd ten opzichte van de lierman en is in overeenstemming met het volgende:
– handrem: om te remmen naar achteren;
– voetrem: om te remmen naar voren;
– handgreep of pedaal ter regeling van het motorvermogen: om het vermogen te vergroten naar voren;
– bedieningsorgaan van de kapinrichting: om te kappen naar achteren.
2. De uitslagen van de bedieningsorganen bij de lierman zijn begrensd door aanslagen die de belastingen kunnen opnemen waarvoor het bedieningsorgaan is ontworpen.
3. De bedieningsorganen zijn zodanig ontworpen, uitgevoerd en opgesteld dat zij geen aanleiding tot verwisseling geven en dat in de war raken van kabels, schuren en slingeren van kabels, kettingen of stootstangen tegen enig deel van de lier, alsmede beïnvloeding door bedieningspersoneel of losse voorwerpen, niet mogelijk is.
4. De bedieningsorganen zijn zodanig opgesteld ten opzichte van de standplaats van de lierman, dat de volle uitslag van elk van die organen gemakkelijk kan worden bereikt, ongehinderd door constructiedelen of de kleding van de lierman.
5. Kabels en kettingen zijn tegen aflopen of afvallen geborgd.
6. De bedieningsorganen veranderen niet van stand door trillen, schudden of schokken van de lier.
7. Kenmerkende standen van de bedieningsorganen worden van een opschrift voorzien indien dit noodzakelijk is om vergissingen te voorkomen.
8. Bedieningsorganen die uitsluitend in noodgevallen worden gebruikt, zijn duidelijk gekenmerkt en rood gekleurd. Andere bedieningsorganen zijn niet rood gekleurd.
9. De bewegingsrichting van de betreffende bedieningsorganen wordt beschouwd ten opzichte van de lierman en is in overeenstemming met het volgende:
– handrem: om te remmen naar achteren;
– voetrem: om te remmen naar voren;
– handgreep of pedaal ter regeling van het motorvermogen: om het vermogen te vergroten naar voren;
– bedieningsorgaan van de kapinrichting: om te kappen naar achteren.