BWBR0029692
Geldig vanaf 2011-03-08
Artikel 6
Regeling technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s en sleepkabels
1. De kabelgeleiding is zodanig geconstrueerd dat:
a. de kabel niet in aanraking kan komen met delen van de lier die daar niet voor bestemd zijn;
b. de kabel niet beklemd kan raken;
c. de kabel zich bij een doelmatige opstelling van de lier met het vrije einde onbelemmerd kan bewegen binnen de ruimte van de viervlakshoek, bedoeld in de bijlage bij deze regeling.
2. De draaiende delen van de kabelgeleiding draaien onder alle omstandigheden gemakkelijk en zonder slingering.
3. De geleiderollen of -schijven die de kabel in het verticale vlak geleiden, worden gedurende het wikkelen van de kabel op de kabeltrommel door de kabel aangedreven.
4. Indien tijdens de opstijging de kabel de geleiderollen of -schijven over een boog van ten minste 60 graden raakt, bedraagt de diameter van deze rollen of schijven ten minste 300 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel.
5. De geleiderollen of -schijven hebben een middellijn van ten minste 8 cm, die bij geleideschijven in de groef gemeten wordt.
6. Indien bij geleiderollen de kabel tijdens de opstijging loodrecht op de draairichting van de rol langs de rol kan verschuiven, mogen in de oppervlakte van de rol geen groeven voorkomen die een diepte hebben van meer dan ¼ van de diameter van de kabel.
7. Het regelmatig verdelen van de kabel op de kabeltrommel tijdens het lieren geschiedt op zodanige wijze dat de lierman hiermee geen bemoeienis heeft.
a. de kabel niet in aanraking kan komen met delen van de lier die daar niet voor bestemd zijn;
b. de kabel niet beklemd kan raken;
c. de kabel zich bij een doelmatige opstelling van de lier met het vrije einde onbelemmerd kan bewegen binnen de ruimte van de viervlakshoek, bedoeld in de bijlage bij deze regeling.
2. De draaiende delen van de kabelgeleiding draaien onder alle omstandigheden gemakkelijk en zonder slingering.
3. De geleiderollen of -schijven die de kabel in het verticale vlak geleiden, worden gedurende het wikkelen van de kabel op de kabeltrommel door de kabel aangedreven.
4. Indien tijdens de opstijging de kabel de geleiderollen of -schijven over een boog van ten minste 60 graden raakt, bedraagt de diameter van deze rollen of schijven ten minste 300 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel.
5. De geleiderollen of -schijven hebben een middellijn van ten minste 8 cm, die bij geleideschijven in de groef gemeten wordt.
6. Indien bij geleiderollen de kabel tijdens de opstijging loodrecht op de draairichting van de rol langs de rol kan verschuiven, mogen in de oppervlakte van de rol geen groeven voorkomen die een diepte hebben van meer dan ¼ van de diameter van de kabel.
7. Het regelmatig verdelen van de kabel op de kabeltrommel tijdens het lieren geschiedt op zodanige wijze dat de lierman hiermee geen bemoeienis heeft.