BWBR0029692
Geldig vanaf 2011-03-08
Artikel 3
Regeling technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s en sleepkabels
1. Het remvermogen van de krachtbron bedraagt voor het lieren van een zweefvliegtuig met één zitplaats ten minste 44 kW en van een zweefvliegtuig met twee zitplaatsen ten minste 66 kW.
2. Bij een windsnelheid van 0 m/s kan met elk type zweefvliegtuig waarvoor de lier bestemd is, een kabelsnelheid bereikt worden van ten minste 1,2 maal de minimale vliegsnelheid van het zweefvliegtuig.
3. De kabeltrommel moet door middel van een rem snel tot stilstand gebracht kunnen worden.
4. Tussen krachtbron en kabeltrommel is een zodanige koppeling aangebracht, dat de kabeltrommel onafhankelijk van de krachtbron kan draaien zonder daarbij op enige wijze door de krachtbron te worden beïnvloed.
5. De kabeltrommel heeft een diameter van ten minste 600 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel.
6. De kabeltrommel is aan beide zijden van randen voorzien, die tijdens het bedrijf van de lier steeds ten minste 5 cm uitsteken boven de op de trommel gewikkelde kabel, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onder a. De vorm van deze randen is zodanig dat tijdens het bedrijf de kabel niet beschadigd kan worden.
7. De krachtbron en de daarbij behorende installaties en onderdelen zijn zodanig opgesteld en verkeren in zodanige staat, dat zij onder alle te verwachten bedrijfsomstandigheden zonder storing en regelmatig werken.
2. Bij een windsnelheid van 0 m/s kan met elk type zweefvliegtuig waarvoor de lier bestemd is, een kabelsnelheid bereikt worden van ten minste 1,2 maal de minimale vliegsnelheid van het zweefvliegtuig.
3. De kabeltrommel moet door middel van een rem snel tot stilstand gebracht kunnen worden.
4. Tussen krachtbron en kabeltrommel is een zodanige koppeling aangebracht, dat de kabeltrommel onafhankelijk van de krachtbron kan draaien zonder daarbij op enige wijze door de krachtbron te worden beïnvloed.
5. De kabeltrommel heeft een diameter van ten minste 600 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel.
6. De kabeltrommel is aan beide zijden van randen voorzien, die tijdens het bedrijf van de lier steeds ten minste 5 cm uitsteken boven de op de trommel gewikkelde kabel, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onder a. De vorm van deze randen is zodanig dat tijdens het bedrijf de kabel niet beschadigd kan worden.
7. De krachtbron en de daarbij behorende installaties en onderdelen zijn zodanig opgesteld en verkeren in zodanige staat, dat zij onder alle te verwachten bedrijfsomstandigheden zonder storing en regelmatig werken.