BWBR0029692
Geldig vanaf 2011-03-08
Artikel 13
Regeling technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s en sleepkabels
1. Een sleepauto omvat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een ontkoppelbare, gesloten haak ter bevestiging van de sleepkabel;
b. instrumenten voor de controle van het sleepproces en de goede werking van de krachtbron;
c. een instrument, dat de rijsnelheid van de sleepauto aangeeft;
d. afschermende delen, die de inzittenden beschermen tegen gevaren die zich bij het slepen kunnen voordoen.
2. Het voortbewegingsmechanisme, de besturingsorganen, de vering en de reminrichting zijn in goede staat en het verhogen van de rijsnelheid vanaf stilstand geschiedt zonder hinderlijke schokken.
3. De sleepauto bereikt bij een windsnelheid van 0 m/s tijdens het slepen een rijsnelheid van ten minste 1,2 maal de minimale vliegsnelheid van het snelste type zweefvliegtuig waarvoor de sleepauto is bestemd.
4. Het gewicht van de sleepauto, zonder brandstof en inzittenden, bedraagt ten minste 1,5 maal het maximaal toegelaten gewicht van het zwaarste type zweefvliegtuig waarvoor de sleepauto is bestemd.
5. De constructie van de sleepauto en de daarop aangebrachte installaties bezit voldoende sterkte en stijfheid om de daarop uitgeoefende krachten zonder ontoelaatbare vervorming op te kunnen nemen.
6. De plaats van de bestuurder van de sleepauto is zodanig dat hij een voldoende, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft.
7. De plaats van de startman op de sleepauto is zodanig dat hij een voldoende, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft, zodat hij het zweefvliegtuig tijdens het slepen gemakkelijk kan waarnemen.
8. De plaatsen van de bestuurder en de startman zijn zodanig dat tijdens het slepen een geregeld, rechtstreeks en uitstekend contact tussen hen mogelijk is.
a. een ontkoppelbare, gesloten haak ter bevestiging van de sleepkabel;
b. instrumenten voor de controle van het sleepproces en de goede werking van de krachtbron;
c. een instrument, dat de rijsnelheid van de sleepauto aangeeft;
d. afschermende delen, die de inzittenden beschermen tegen gevaren die zich bij het slepen kunnen voordoen.
2. Het voortbewegingsmechanisme, de besturingsorganen, de vering en de reminrichting zijn in goede staat en het verhogen van de rijsnelheid vanaf stilstand geschiedt zonder hinderlijke schokken.
3. De sleepauto bereikt bij een windsnelheid van 0 m/s tijdens het slepen een rijsnelheid van ten minste 1,2 maal de minimale vliegsnelheid van het snelste type zweefvliegtuig waarvoor de sleepauto is bestemd.
4. Het gewicht van de sleepauto, zonder brandstof en inzittenden, bedraagt ten minste 1,5 maal het maximaal toegelaten gewicht van het zwaarste type zweefvliegtuig waarvoor de sleepauto is bestemd.
5. De constructie van de sleepauto en de daarop aangebrachte installaties bezit voldoende sterkte en stijfheid om de daarop uitgeoefende krachten zonder ontoelaatbare vervorming op te kunnen nemen.
6. De plaats van de bestuurder van de sleepauto is zodanig dat hij een voldoende, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft.
7. De plaats van de startman op de sleepauto is zodanig dat hij een voldoende, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft, zodat hij het zweefvliegtuig tijdens het slepen gemakkelijk kan waarnemen.
8. De plaatsen van de bestuurder en de startman zijn zodanig dat tijdens het slepen een geregeld, rechtstreeks en uitstekend contact tussen hen mogelijk is.