BWBR0028735
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 32
Wet primair onderwijs BES
1. Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn voor een functie als leerkracht in het funderend onderwijs, gelegenheid te bieden de, als onderdeel van hun opleiding, vereiste ervaring in de school te verkrijgen.
2. De verplichting bedoeld in het eerste lid, betreft:
a. studenten die bij de opleiding tot leerkracht funderend onderwijs zijn ingeschreven of anderszins studeren voor een bewijs van bekwaamheid, dan wel voor een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, en
b. in een schooljaar gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder a. dan een derde van het aantal leerkrachten, werkzaam aan de desbetreffende school in dat schooljaar.
3. Het bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift van het schriftelijke en met redenen omklede besluit aan de student, voor zover deze minderjarig is ook aan zijn ouders, het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling en aan de inspectie.
4. De directeur regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door het onderwijzend personeel van de studenten in de school in overeenstemming met dit personeel, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen.
5. De inspectie kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.
6. De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn mede toegankelijk voor de directeuren en de door dezen aan te wijzen leerkrachten van de betrokken opleidingsinstellingen, een en ander voor zover zulks voor de begeleiding van de praktische vorming van de in de school aanwezige studenten noodzakelijk is.
2. De verplichting bedoeld in het eerste lid, betreft:
a. studenten die bij de opleiding tot leerkracht funderend onderwijs zijn ingeschreven of anderszins studeren voor een bewijs van bekwaamheid, dan wel voor een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, en
b. in een schooljaar gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder a. dan een derde van het aantal leerkrachten, werkzaam aan de desbetreffende school in dat schooljaar.
3. Het bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift van het schriftelijke en met redenen omklede besluit aan de student, voor zover deze minderjarig is ook aan zijn ouders, het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling en aan de inspectie.
4. De directeur regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door het onderwijzend personeel van de studenten in de school in overeenstemming met dit personeel, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen.
5. De inspectie kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.
6. De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn mede toegankelijk voor de directeuren en de door dezen aan te wijzen leerkrachten van de betrokken opleidingsinstellingen, een en ander voor zover zulks voor de begeleiding van de praktische vorming van de in de school aanwezige studenten noodzakelijk is.
- Citeren als
- Art. 32
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028735
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl