BWBR0028648
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 13
Besluit eindexamens v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES
1. Indien een kandidaat zich aan het schoolexamen onttrekt of zich aan enige andere onregelmatigheid ten aanzien van het schoolexamen schuldig maakt, kan, ongeacht hetgeen daaromtrent nader in de regeling wordt bepaald, de voorzitter van de examencommissie, na overleg met de inspectie:
a. de kandidaat de deelname aan één of meer delen van het schoolexamen ontzeggen;
b. één of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen van de kandidaat ongeldig verklaren;
c. het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen van de kandidaat toekennen.
2. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat de kandidaat en bij minderjarigheid van de kandidaat in aanwezigheid van diens ouders, voogden of verzorgers, in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren.
3. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houdt ontzegging van deelname aan het centraal examen in.
4. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, houdt in dat de kandidaat op een door de voorzitter van de examencommissie te bepalen tijdstip in de gelegenheid moet worden gesteld de ongeldig verklaarde toetsen wederom af te leggen.
5. Van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, stelt de voorzitter van de examencommissie de kandidaat, en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat, en de inspectie schriftelijk binnen drie dagen in kennis.
6. Na in kennis te zijn gesteld kan de kandidaat tegen een schriftelijke beslissing van de voorzitter van de examencommissie binnen drie dagen schriftelijk in beroep gaan bij de inspectie.
7. In het geval van het zesde lid stelt de inspectie een onderzoek in en beslist binnen twee weken op het beroep. Hij kan de termijn, bedoeld in de vorige volzin, met redenen omkleed verlengen met ten hoogste twee weken. De inspectie deelt zijn beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat en de voorzitter van de examencommissie.
a. de kandidaat de deelname aan één of meer delen van het schoolexamen ontzeggen;
b. één of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen van de kandidaat ongeldig verklaren;
c. het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen van de kandidaat toekennen.
2. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat de kandidaat en bij minderjarigheid van de kandidaat in aanwezigheid van diens ouders, voogden of verzorgers, in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren.
3. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houdt ontzegging van deelname aan het centraal examen in.
4. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, houdt in dat de kandidaat op een door de voorzitter van de examencommissie te bepalen tijdstip in de gelegenheid moet worden gesteld de ongeldig verklaarde toetsen wederom af te leggen.
5. Van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, stelt de voorzitter van de examencommissie de kandidaat, en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat, en de inspectie schriftelijk binnen drie dagen in kennis.
6. Na in kennis te zijn gesteld kan de kandidaat tegen een schriftelijke beslissing van de voorzitter van de examencommissie binnen drie dagen schriftelijk in beroep gaan bij de inspectie.
7. In het geval van het zesde lid stelt de inspectie een onderzoek in en beslist binnen twee weken op het beroep. Hij kan de termijn, bedoeld in de vorige volzin, met redenen omkleed verlengen met ten hoogste twee weken. De inspectie deelt zijn beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat en de voorzitter van de examencommissie.
- Citeren als
- Art. 13
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028648
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl