BWBR0027815
Geldig vanaf 2010-06-25
Artikel 20
Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012
1. Aan de herplaatsingskandidaat die binnen de herplaatsingstermijn op zijn aanvraag ontslag wordt verleend wordt een stimuleringspremie toegekend.
2. De stimuleringspremie, bedoeld in het eerste lid, is afhankelijk van het aantal jaren dat de ambtenaar in overheidsdienst is geweest op het moment dat het ontslag ingaat en het aantal maanden dat na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat is verstreken, en bedraagt uitgedrukt in aantallen maandsalarissen:
[tabel]
3. Aan de aangewezen ambtenaar die op zijn aanvraag ontslag wordt verleend kan een stimuleringspremie ter grootte van ten hoogste twaalf maandsalarissen worden toegekend
4. Geen stimuleringspremie als bedoeld in het eerste en derde lid wordt toegekend indien:
a. de in artikel 19, eerste of vierde lid, bedoelde aanvulling op het inkomen, de in artikel 19, derde lid onder b bedoelde salarissuppletie of de in artikel 22 bedoelde terugkeergarantie is toegekend;
b. het ontslag is verleend op grond van artikel 94a van het ARAR, artikel 124a van het ARSG of artikel 97 van het RDBZ;
c. een premie op grond van artikel 49o van het ARAR, artikel 84o van het ARSG of artikel 58n van het RDBZ is toegekend.
5. Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst afwijken van het vierde lid, onderdeel b.
6. De stimuleringspremie wordt op de in artikel 100a van het ARAR, artikel 132a van het ARSGrespectievelijk artikel 107 van het RDBZgenoemde uitkering in mindering gebracht.
2. De stimuleringspremie, bedoeld in het eerste lid, is afhankelijk van het aantal jaren dat de ambtenaar in overheidsdienst is geweest op het moment dat het ontslag ingaat en het aantal maanden dat na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat is verstreken, en bedraagt uitgedrukt in aantallen maandsalarissen:
[tabel]
3. Aan de aangewezen ambtenaar die op zijn aanvraag ontslag wordt verleend kan een stimuleringspremie ter grootte van ten hoogste twaalf maandsalarissen worden toegekend
4. Geen stimuleringspremie als bedoeld in het eerste en derde lid wordt toegekend indien:
a. de in artikel 19, eerste of vierde lid, bedoelde aanvulling op het inkomen, de in artikel 19, derde lid onder b bedoelde salarissuppletie of de in artikel 22 bedoelde terugkeergarantie is toegekend;
b. het ontslag is verleend op grond van artikel 94a van het ARAR, artikel 124a van het ARSG of artikel 97 van het RDBZ;
c. een premie op grond van artikel 49o van het ARAR, artikel 84o van het ARSG of artikel 58n van het RDBZ is toegekend.
5. Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst afwijken van het vierde lid, onderdeel b.
6. De stimuleringspremie wordt op de in artikel 100a van het ARAR, artikel 132a van het ARSGrespectievelijk artikel 107 van het RDBZgenoemde uitkering in mindering gebracht.