BWBR0027815
Geldig vanaf 2010-06-25
Artikel 19
Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012
1. Aan een herplaatsingskandidaat die op zijn aanvraag wordt ontslagen wegens het aanvaarden van een dienstbetrekking op een lager inkomensniveau buiten de sector Rijk kent het bevoegd gezag op zijn aanvraag gedurende vijf jaar een aanvulling op het inkomen toe.
2. De berekeningsbasis voor de aanvulling is het verschil tussen enerzijds de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen en anderzijds het volledige inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk, met een maximum van 30% van de som van het oude salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen. Het inkomen uit de dienstbetrekking bij de sector Rijk wordt eenmalig vastgesteld. Indien de arbeidsduurfactor uit bedoelde dienstbetrekking een andere is dan die als ambtenaar, wordt de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen als ambtenaar omgerekend naar de arbeidsduurfactor in de dienstbetrekking buiten de sector Rijk. De aanvulling wordt jaarlijks vastgesteld en bedraagt het eerste jaar 100% het tweede jaar 80%, het derde jaar 60%, het vierde jaar 40% en het vijfde jaar 20% van de berekeningsbasis. De betrokkene legt hiertoe een inkomensverklaring over de voorgaande twaalf maanden over.
3. Geen recht op de in het eerste lid bedoelde aanvulling bestaat:
a. indien bij vertrek een stimuleringspremie is toegekend als bedoeld in artikel 20, eerste of derde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vierde lid, onder c;
b. indien gebruik wordt gemaakt van een salarissuppletie als bedoeld in artikel 49p van het ARAR, artikel 84p van het ARSG en artikel 58o van het RDBZ.
4. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde aanvulling toekennen aan aangewezen ambtenaren.
5. Onder door het bevoegd gezag te stellen voorwaarden wordt de in dit artikel bedoelde aanvulling op aanvraag van de ambtenaar afgekocht tegen 40% van de gekapitaliseerde waarde op het moment van afkoop. Het bevoegd gezag kan besluiten het in de vorige volzin bedoelde percentage te verhogen in bijzondere gevallen.
2. De berekeningsbasis voor de aanvulling is het verschil tussen enerzijds de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen en anderzijds het volledige inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk, met een maximum van 30% van de som van het oude salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen. Het inkomen uit de dienstbetrekking bij de sector Rijk wordt eenmalig vastgesteld. Indien de arbeidsduurfactor uit bedoelde dienstbetrekking een andere is dan die als ambtenaar, wordt de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen als ambtenaar omgerekend naar de arbeidsduurfactor in de dienstbetrekking buiten de sector Rijk. De aanvulling wordt jaarlijks vastgesteld en bedraagt het eerste jaar 100% het tweede jaar 80%, het derde jaar 60%, het vierde jaar 40% en het vijfde jaar 20% van de berekeningsbasis. De betrokkene legt hiertoe een inkomensverklaring over de voorgaande twaalf maanden over.
3. Geen recht op de in het eerste lid bedoelde aanvulling bestaat:
a. indien bij vertrek een stimuleringspremie is toegekend als bedoeld in artikel 20, eerste of derde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vierde lid, onder c;
b. indien gebruik wordt gemaakt van een salarissuppletie als bedoeld in artikel 49p van het ARAR, artikel 84p van het ARSG en artikel 58o van het RDBZ.
4. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde aanvulling toekennen aan aangewezen ambtenaren.
5. Onder door het bevoegd gezag te stellen voorwaarden wordt de in dit artikel bedoelde aanvulling op aanvraag van de ambtenaar afgekocht tegen 40% van de gekapitaliseerde waarde op het moment van afkoop. Het bevoegd gezag kan besluiten het in de vorige volzin bedoelde percentage te verhogen in bijzondere gevallen.