BWBR0027516
Geldig vanaf 2014-12-12
Artikel 19
Regeling InnovatieImpuls Onderwijs
1. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen voor subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, op basis van:
a. in de eerste plaats: de 8 voortrekkerscholen als bedoeld in artikel 7, lid 9, krijgen voorrang;
b. in de tweede plaats: een verdeling van het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.
2. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen voor subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, op basis van:
a. in de eerste plaats: de 8 voortrekkerscholen als bedoeld in artikel 7, lid 9, krijgen voorrang;
b. in de tweede plaats: een vergelijking van de geschiktheid van de overige projectplannen om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie;
c. in de derde plaats: de verhouding tussen het aantal projectplannen van urgentiescholen en het totaal aantal projectplannen.
3. Indien er na toepassing van lid 2 nog sprake is van gelijke kwalitatieve geschiktheid van projectplannen, zal de minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen verdelen.
4. Met het oog op het bepaalde in het eerste en derde lid, geldt als datum van ontvangst de dag waarop de aanvraag is aangevuld, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen.
a. in de eerste plaats: de 8 voortrekkerscholen als bedoeld in artikel 7, lid 9, krijgen voorrang;
b. in de tweede plaats: een verdeling van het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.
2. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen voor subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, op basis van:
a. in de eerste plaats: de 8 voortrekkerscholen als bedoeld in artikel 7, lid 9, krijgen voorrang;
b. in de tweede plaats: een vergelijking van de geschiktheid van de overige projectplannen om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie;
c. in de derde plaats: de verhouding tussen het aantal projectplannen van urgentiescholen en het totaal aantal projectplannen.
3. Indien er na toepassing van lid 2 nog sprake is van gelijke kwalitatieve geschiktheid van projectplannen, zal de minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen verdelen.
4. Met het oog op het bepaalde in het eerste en derde lid, geldt als datum van ontvangst de dag waarop de aanvraag is aangevuld, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen.