BWBR0026884
Geldig vanaf 2010-04-01
Artikel 2.1.1
Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer
1. Het rookgas van een ketelinstallatie waarin de brandstof in vaste of vloeibare vorm wordt verstookt, voldoet aan de volgende emissiegrenswaarden:
a. stikstofoxiden (NOx): 100 milligram per Nm3, voor zover de brandstof in vaste vorm wordt verstookt, en 120 milligram per Nm3, voor zover de brandstof in vloeibare vorm wordt verstookt;
b. zwaveldioxide (SO2): 200 milligram per Nm3, en
c. totaal stof: 5 milligram per Nm3.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a en c, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan vijf megawatt, waarin biomassa als brandstof wordt toegepast, aan de volgende emissiegrenswaarden:
a. stikstofoxiden (NOx): 200 milligram per Nm3, en
b. totaal stof: 20 milligram per Nm3.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een thermisch vermogen van vijf megawatt of meer, waarin biomassa als brandstof wordt verstookt, aan een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NO x) van 145 milligram per Nm 3.
4. Het rookgas van een ketelinstallatie, waarin de brandstof in gasvorm wordt verstookt, voldoet aan de volgende emissiegrenswaarden:
a. stikstofoxiden (NOx): 70 milligram per Nm3, en
b. zwaveldioxide (SO2): 200 milligram per Nm3.
5. In afwijking van het vierde lid, onder a, wordt, indien in een stookinstallatie een andere gasvormige brandstof dan aardgas wordt gestookt, de emissiegrenswaarde vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ/kg, tot een verbrandingswaarde van 38 MJ/kg, waarbij de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 2,0 bedraagt.
a. stikstofoxiden (NOx): 100 milligram per Nm3, voor zover de brandstof in vaste vorm wordt verstookt, en 120 milligram per Nm3, voor zover de brandstof in vloeibare vorm wordt verstookt;
b. zwaveldioxide (SO2): 200 milligram per Nm3, en
c. totaal stof: 5 milligram per Nm3.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a en c, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan vijf megawatt, waarin biomassa als brandstof wordt toegepast, aan de volgende emissiegrenswaarden:
a. stikstofoxiden (NOx): 200 milligram per Nm3, en
b. totaal stof: 20 milligram per Nm3.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een thermisch vermogen van vijf megawatt of meer, waarin biomassa als brandstof wordt verstookt, aan een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NO x) van 145 milligram per Nm 3.
4. Het rookgas van een ketelinstallatie, waarin de brandstof in gasvorm wordt verstookt, voldoet aan de volgende emissiegrenswaarden:
a. stikstofoxiden (NOx): 70 milligram per Nm3, en
b. zwaveldioxide (SO2): 200 milligram per Nm3.
5. In afwijking van het vierde lid, onder a, wordt, indien in een stookinstallatie een andere gasvormige brandstof dan aardgas wordt gestookt, de emissiegrenswaarde vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ/kg, tot een verbrandingswaarde van 38 MJ/kg, waarbij de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 2,0 bedraagt.