BWBR0025709
Geldig vanaf 2011-09-29
Artikel 15
Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen
1. De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien die aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden waaraan een aanvraag op grond van deze regeling moet voldoen.
2. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van het eerste lid afwijzend is beslist, het advies in van de adviescommissie.
3. De minister beslist daarbij, geadviseerd door de adviescommissie, afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat een aanvraag op één of meer van de vijf rankingscriteria, bedoeld in het vierde lid, kennelijk onvoldoende bijdraagt.
4. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. het meer bijdraagt aan versterking van ondernemend gedrag op alle niveaus van de onderwijsinstellingen;
b. het meer bijdraagt aan verankering van het leren ondernemen binnen de onderwijsinstellingen;
c. het meer bijdraagt aan structurele samenwerking op het leren ondernemen tussen onderwijsinstellingen, ondernemers en andere deelnemers in het netwerk;
d. het meer bijdraagt aan profilering van (de doelstellingen van) het samenwerkingsverband in de regio;
e. het samenwerkingsverband meer divers is samengesteld.
5. Voor de rangschikking wegen de in het vierde lid genoemde criteria ieder even zwaar.
6. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen als bedoeld in het derde lid altijd buiten beschouwing blijven.
2. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van het eerste lid afwijzend is beslist, het advies in van de adviescommissie.
3. De minister beslist daarbij, geadviseerd door de adviescommissie, afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat een aanvraag op één of meer van de vijf rankingscriteria, bedoeld in het vierde lid, kennelijk onvoldoende bijdraagt.
4. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. het meer bijdraagt aan versterking van ondernemend gedrag op alle niveaus van de onderwijsinstellingen;
b. het meer bijdraagt aan verankering van het leren ondernemen binnen de onderwijsinstellingen;
c. het meer bijdraagt aan structurele samenwerking op het leren ondernemen tussen onderwijsinstellingen, ondernemers en andere deelnemers in het netwerk;
d. het meer bijdraagt aan profilering van (de doelstellingen van) het samenwerkingsverband in de regio;
e. het samenwerkingsverband meer divers is samengesteld.
5. Voor de rangschikking wegen de in het vierde lid genoemde criteria ieder even zwaar.
6. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen als bedoeld in het derde lid altijd buiten beschouwing blijven.