BWBR0023092
Geldig vanaf 31-12-2007
Artikel 3:3
Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen
Vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 92, derde lid, van het Besluit respectievelijk artikel 96, onderdelen a en b, van het Besluit waaraan een calloptie of een renteopstap is verbonden, voldoen uitsluitend aan de eisen van voornoemde artikelen van het Besluit, indien:
a. ingeval van een calloptie: de calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de financiële onderneming en met toestemming van DNB;
b. ingeval van een renteopstap: de renteopstap voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:6, met dien verstande dat: 1°. het in artikel 2:6, onderdeel b, genoemde aantal verstreken kalenderjaren minimaal vijf is;
2°. de in artikel 2:6, onderdeel c, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd;
1°. het in artikel 2:6, onderdeel b, genoemde aantal verstreken kalenderjaren minimaal vijf is;
2°. de in artikel 2:6, onderdeel c, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd;
c. de verlaging, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 4°, van het Besluit, wordt toegepast uiterlijk vanaf het moment waarop de uitoefening van een calloptie als bedoeld in onderdeel a vrijwel zeker is en de verwachte datum van uitoefening als aflossingsdatum wordt gehanteerd.
a. ingeval van een calloptie: de calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de financiële onderneming en met toestemming van DNB;
b. ingeval van een renteopstap: de renteopstap voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:6, met dien verstande dat: 1°. het in artikel 2:6, onderdeel b, genoemde aantal verstreken kalenderjaren minimaal vijf is;
2°. de in artikel 2:6, onderdeel c, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd;
1°. het in artikel 2:6, onderdeel b, genoemde aantal verstreken kalenderjaren minimaal vijf is;
2°. de in artikel 2:6, onderdeel c, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd;
c. de verlaging, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 4°, van het Besluit, wordt toegepast uiterlijk vanaf het moment waarop de uitoefening van een calloptie als bedoeld in onderdeel a vrijwel zeker is en de verwachte datum van uitoefening als aflossingsdatum wordt gehanteerd.
- Citeren als
- Art. 3:3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0023092
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl