BWBR0023092
Geldig vanaf 31-12-2007
Artikel 2:2
Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen
Hybride instrumenten kunnen uitsluitend voor de berekening, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, als vermogenbestanddeel in aanmerking worden genomen indien:
a. het aan de hybride instrumenten verbonden kapitaal op permanente basis door derden is verstrekt;
b. zij zijn geplaatst en volgestort;
c. zij de financiële onderneming de mogelijkheid verschaffen om verliezen op te vangen, terwijl de financiële onderneming haar werkzaamheden kan voortzetten;
d. de financiële onderneming volledige zeggenschap heeft over de omvang en het tijdstip van de uitkeringen op de hybride instrumenten;
e. de daaraan verbonden vorderingen van crediteuren volledig achtergesteld zijn bij die van andere crediteuren, daaronder in ieder geval begrepen de crediteuren, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 1°, van het Besluit respectievelijk artikel 96, onderdeel b, van het Besluit, zonder dat de financiële onderneming of een daarmee verbonden partij de feitelijke mogelijkheid of contractuele bevoegdheid heeft om de rangorde van de aan de hybride instrumenten verbonden vorderingen jegens die andere crediteuren te verbeteren;
f. daaraan geen cumulatieve preferenties zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele bevoegdheid of elke feitelijke mogelijkheid die aan de houders de bevoegdheid verleent om een gepasseerde of opgeschorte dividend- of couponbetaling op de hybride instrumenten op een later tijdstip in te halen; en
g. daaraan geen calloptie zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele of feitelijke mogelijkheid tot verwerving van hybride instrumenten door een entiteit die met de financiële onderneming in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is verbonden.
a. het aan de hybride instrumenten verbonden kapitaal op permanente basis door derden is verstrekt;
b. zij zijn geplaatst en volgestort;
c. zij de financiële onderneming de mogelijkheid verschaffen om verliezen op te vangen, terwijl de financiële onderneming haar werkzaamheden kan voortzetten;
d. de financiële onderneming volledige zeggenschap heeft over de omvang en het tijdstip van de uitkeringen op de hybride instrumenten;
e. de daaraan verbonden vorderingen van crediteuren volledig achtergesteld zijn bij die van andere crediteuren, daaronder in ieder geval begrepen de crediteuren, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 1°, van het Besluit respectievelijk artikel 96, onderdeel b, van het Besluit, zonder dat de financiële onderneming of een daarmee verbonden partij de feitelijke mogelijkheid of contractuele bevoegdheid heeft om de rangorde van de aan de hybride instrumenten verbonden vorderingen jegens die andere crediteuren te verbeteren;
f. daaraan geen cumulatieve preferenties zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele bevoegdheid of elke feitelijke mogelijkheid die aan de houders de bevoegdheid verleent om een gepasseerde of opgeschorte dividend- of couponbetaling op de hybride instrumenten op een later tijdstip in te halen; en
g. daaraan geen calloptie zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele of feitelijke mogelijkheid tot verwerving van hybride instrumenten door een entiteit die met de financiële onderneming in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is verbonden.
- Citeren als
- Art. 2:2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0023092
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl