BWBR0023092
Geldig vanaf 31-12-2007
Artikel 2:1
Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen
1. Voor de berekening van het kernkapitaal als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van het Besluit respectievelijk voor de berekening van de aanwezige solvabiliteitsmarge als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van het Besluit voor zover de aanwezige solvabiliteitsmarge boven het minimumbedrag, bedoeld in artikel 65, 66, 67 respectievelijk 68 van het Besluit uitgaat, kunnen als vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk artikel 95, tweede lid, van het Besluit, al dan niet op geconsolideerde dan wel subgeconsolideerde basis, in aanmerking worden genomen:
a. innovatieve financiële instrumenten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van dit hoofdstuk;
b. niet-innovatieve financiële instrumenten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van deze paragraaf en van paragraaf 2.3.
2. Voor de berekening, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, nemen financiële ondernemingen:
a. innovatieve financiële instrumenten voor maximaal 15% als vermogenbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk artikel 95, tweede lid, van het Besluit in aanmerking;
b. niet-innovatieve financiële instrumenten, tezamen met innovatieve financiële instrumenten, voor maximaal 50% als vermogenbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk artikel 95, tweede lid, van het Besluit in aanmerking;
c. niet-cumulatieve preferente aandelen met onbepaalde looptijd waaraan één of meer voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan, mee voor de bepaling of de limiet, bedoeld in onderdeel a, is bereikt; en
d. niet-cumulatieve preferente aandelen met onbepaalde looptijd waaraan geen voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan, tezamen met de aandelen bedoeld in onderdeel c, mee voor de bepaling of de limiet, bedoeld in onderdeel b, is bereikt.
a. innovatieve financiële instrumenten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van dit hoofdstuk;
b. niet-innovatieve financiële instrumenten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van deze paragraaf en van paragraaf 2.3.
2. Voor de berekening, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, nemen financiële ondernemingen:
a. innovatieve financiële instrumenten voor maximaal 15% als vermogenbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk artikel 95, tweede lid, van het Besluit in aanmerking;
b. niet-innovatieve financiële instrumenten, tezamen met innovatieve financiële instrumenten, voor maximaal 50% als vermogenbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk artikel 95, tweede lid, van het Besluit in aanmerking;
c. niet-cumulatieve preferente aandelen met onbepaalde looptijd waaraan één of meer voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan, mee voor de bepaling of de limiet, bedoeld in onderdeel a, is bereikt; en
d. niet-cumulatieve preferente aandelen met onbepaalde looptijd waaraan geen voorwaarden zijn verbonden waarvan een aflossingsstimulans kan uitgaan, tezamen met de aandelen bedoeld in onderdeel c, mee voor de bepaling of de limiet, bedoeld in onderdeel b, is bereikt.
- Citeren als
- Art. 2:1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0023092
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl