BWBR0023092
Geldig vanaf 31-12-2007
Artikel 2:4
Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen
Een contractuele bevoegdheid of feitelijke mogelijkheid van de financiële onderneming tot uitgifte van een vermogensbestanddeel, ter voldoening van één of meer opgeschorte dividend- of couponbetalingen op een hybride instrument bij de hervatting van de normale dividend- of couponbetaling, is niet in strijd met artikel 2:2, onderdeel f, indien:
a. de voldoening plaatsvindt in een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk 95, tweede lid, van het Besluit waaraan geen calloptie verbonden is en dat niet aflosbaar is;
b. de financiële onderneming vanaf de uitgifte tot en met het einde van de looptijd van het hybride instrument, bedoeld in de aanhef, vermogensbestanddelen ten laste van de vrije emissieruimte afzondert om in deze voldoening te voorzien, waarvan de waarde tenminste gelijk is aan het equivalent van één toekomstige dividend- of couponbetaling, vermeerderd met eventueel eerder onvoldane betalingen, zulks omgerekend naar het vermogensbestanddeel waarmee de voldoening plaatsvindt;
c. de financiële onderneming de gewone aandeelhouders in kennis stelt van de contractuele bevoegdheid of feitelijke mogelijkheid, bedoeld in de aanhef, en de afzondering, bedoeld in onderdeel b; en
d. betaling in het vermogensbestanddeel als bedoeld in de vorige onderdelen, indien en voor zover betrekking hebbend op een periode van verplichte opschorting, niet hoger is dan de nominale waarde van de oorspronkelijke coupons of dividenden.
a. de voldoening plaatsvindt in een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit respectievelijk 95, tweede lid, van het Besluit waaraan geen calloptie verbonden is en dat niet aflosbaar is;
b. de financiële onderneming vanaf de uitgifte tot en met het einde van de looptijd van het hybride instrument, bedoeld in de aanhef, vermogensbestanddelen ten laste van de vrije emissieruimte afzondert om in deze voldoening te voorzien, waarvan de waarde tenminste gelijk is aan het equivalent van één toekomstige dividend- of couponbetaling, vermeerderd met eventueel eerder onvoldane betalingen, zulks omgerekend naar het vermogensbestanddeel waarmee de voldoening plaatsvindt;
c. de financiële onderneming de gewone aandeelhouders in kennis stelt van de contractuele bevoegdheid of feitelijke mogelijkheid, bedoeld in de aanhef, en de afzondering, bedoeld in onderdeel b; en
d. betaling in het vermogensbestanddeel als bedoeld in de vorige onderdelen, indien en voor zover betrekking hebbend op een periode van verplichte opschorting, niet hoger is dan de nominale waarde van de oorspronkelijke coupons of dividenden.
- Citeren als
- Art. 2:4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0023092
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl