BWBR0023092
Geldig vanaf 31-12-2007
Artikel 2:3
Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen
Aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel d, is voldaan indien:
a. er geen verplichting tot het doen van uitkeringen op het hybride instrument bestaat, daaronder niet begrepen de verplichting tot uitkering vanwege een daaraan voorafgaande dividendbetaling op het gewone aandelenkapitaal buiten periodes om waarin zich een trigger-moment voordoet;
b. uitkeringen uitsluitend kunnen plaatsvinden uit de middelen die voor uitkering beschikbaar zijn;
c. de hoogte van uitkeringen vooraf is vastgelegd en niet kan worden herzien op basis van een wijziging van de kredietwaardigheid van de financiële onderneming; en
d. niet-uitgekeerde bedragen ter vrije beschikking van de financiële onderneming staan.
a. er geen verplichting tot het doen van uitkeringen op het hybride instrument bestaat, daaronder niet begrepen de verplichting tot uitkering vanwege een daaraan voorafgaande dividendbetaling op het gewone aandelenkapitaal buiten periodes om waarin zich een trigger-moment voordoet;
b. uitkeringen uitsluitend kunnen plaatsvinden uit de middelen die voor uitkering beschikbaar zijn;
c. de hoogte van uitkeringen vooraf is vastgelegd en niet kan worden herzien op basis van een wijziging van de kredietwaardigheid van de financiële onderneming; en
d. niet-uitgekeerde bedragen ter vrije beschikking van de financiële onderneming staan.
- Citeren als
- Art. 2:3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0023092
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl