BWBR0022933
Geldig vanaf 2007-12-05
Artikel 17
Mandaatregeling personele aangelegenheden VWS 2007
1. De secretaris-generaal kan aan andere functionarissen dan de op grond van de hoofdstukken 3, 4en 5bevoegde functionarissen ondermandaat verlenen, behoudens ten aanzien van het vaststellen van beleidsregels.
2. De hoofden van dienst van dienstonderdelen kernMinisterie en secretariaten van raden en commissies zijn bevoegd aan onder hen ressorterende functionarissen ondermandaat te verlenen voor de uitoefening van bepaalde bevoegdheden. Elk ondermandaat wordt schriftelijk verleend en behoeft goedkeuring van de plaatsvervangend-secretaris-generaal.
3. De hoofden van dienst van diensten en instellingen zijn bevoegd aan onder hen ressorterende functionarissen ondermandaat te verlenen voor de uitoefening van bepaalde bevoegdheden.
Elk ondermandaat wordt schriftelijk verleend.
Ondermandaat als bedoeld in dit lid wordt niet verleend tot:
– aanstelling met toepassing van artikel 6a ARAR;
– besluiten waarbij de arbeidsduur wordt vastgesteld op meer dan 36 uur (artikel 21, lid 2, ARAR);
– besluiten gegrond op de artikelen 77, 80 tot en met 84, 91 en 92 ARAR (ontzegging van de toegang en disciplinaire straffen);
– ontslag anders dan op verzoek.
– het vaststellen of aan een bepaalde functie een vaste vergoeding voor representatiekosten is verbonden en de hoogte van die vergoeding;
4. De plaatsvervangend secretaris-generaal is bevoegd om in het kader van P-Loket en P-Direkt, bij schriftelijk besluit de in de artikelen 9, 10, 11en 12verleende mandaten in te trekken en ondermandaat te verlenen aan andere functionarissen dan de in die artikelen vermelde functionarissen.
5. De directeur Bedrijfsvoering is bevoegd ten aanzien van de artikel 12verleende bevoegdheden ondermandaat te verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.
6. Ondermandaat wordt niet verleend tot het nemen van een beslissing op bezwaar.
7. Op ondermandaat zijn de bepalingen van deze regeling van overeenkomstige toepassing.
2. De hoofden van dienst van dienstonderdelen kernMinisterie en secretariaten van raden en commissies zijn bevoegd aan onder hen ressorterende functionarissen ondermandaat te verlenen voor de uitoefening van bepaalde bevoegdheden. Elk ondermandaat wordt schriftelijk verleend en behoeft goedkeuring van de plaatsvervangend-secretaris-generaal.
3. De hoofden van dienst van diensten en instellingen zijn bevoegd aan onder hen ressorterende functionarissen ondermandaat te verlenen voor de uitoefening van bepaalde bevoegdheden.
Elk ondermandaat wordt schriftelijk verleend.
Ondermandaat als bedoeld in dit lid wordt niet verleend tot:
– aanstelling met toepassing van artikel 6a ARAR;
– besluiten waarbij de arbeidsduur wordt vastgesteld op meer dan 36 uur (artikel 21, lid 2, ARAR);
– besluiten gegrond op de artikelen 77, 80 tot en met 84, 91 en 92 ARAR (ontzegging van de toegang en disciplinaire straffen);
– ontslag anders dan op verzoek.
– het vaststellen of aan een bepaalde functie een vaste vergoeding voor representatiekosten is verbonden en de hoogte van die vergoeding;
4. De plaatsvervangend secretaris-generaal is bevoegd om in het kader van P-Loket en P-Direkt, bij schriftelijk besluit de in de artikelen 9, 10, 11en 12verleende mandaten in te trekken en ondermandaat te verlenen aan andere functionarissen dan de in die artikelen vermelde functionarissen.
5. De directeur Bedrijfsvoering is bevoegd ten aanzien van de artikel 12verleende bevoegdheden ondermandaat te verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.
6. Ondermandaat wordt niet verleend tot het nemen van een beslissing op bezwaar.
7. Op ondermandaat zijn de bepalingen van deze regeling van overeenkomstige toepassing.