BWBR0021670
Geldig vanaf 2007-10-17
Artikel 129
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
1. Gewasbeschermingsmiddelen of biociden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn toegelaten op grond van de <a href="/wet/BWBR0002380" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>bij besluit van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, worden bij de inwerkingtreding van deze wet geacht te zijn toegelaten op grond van artikel 28onderscheidenlijk artikel 49van deze wet onder de voorschriften die bij de toelating zijn gegeven.
2. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden die op 3 mei 2007 van rechtswege zijn toegelaten op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/25d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>worden vanaf die datum geacht te zijn toegelaten op grond van artikel 122, eerste lid, van deze wet onder de voorschriften die bij de toelating zijn gegeven. Alle toelatingen van rechtswege op grond van dit lid vervallen op de datum van inwerkingtreding van het eerste besluit tot vaststelling van een lijst voor gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk biociden, als bedoeld in artikel 122, eerste lid.
3. Gewasbeschermingsmiddelen of biociden, die op of na 3 mei 2007 zijn vrijgesteld van toelating of waarvoor een ontheffing is verstrekt op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/16aa" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>, worden vanaf die datum geacht te zijn toegelaten op grond van artikel 123, eerste lid, van deze wet, onder de voorschriften die bij de vrijstelling of ontheffing zijn gegeven.
4. Gewasbeschermingsmiddelen of biociden, die zijn vrijgesteld van toelating of waarvoor een ontheffing is verstrekt op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/16a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>, worden geacht te zijn toegelaten op grond van artikel 38van deze wet voor gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk artikel 65van deze wet voor biociden, onder de voorschriften die bij de vrijstelling of ontheffing zijn gegeven en tot de in de vrijstelling of ontheffing opgenomen termijn is verstreken.
5. Gewasbeschermingsmiddelen of biociden die op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>zijn uitgezonderd van de toepassing van <a href="/wet/BWBR0002380" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">die wet</a>, zijn bij de inwerkingtreding van deze wet van rechtswege toegelaten, tot het moment waarop het college:
a. de toelating intrekt of wijzigt op grond van deze wet, of
b. het middel toelaat op grond van artikel 35 of 55.
2. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden die op 3 mei 2007 van rechtswege zijn toegelaten op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/25d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>worden vanaf die datum geacht te zijn toegelaten op grond van artikel 122, eerste lid, van deze wet onder de voorschriften die bij de toelating zijn gegeven. Alle toelatingen van rechtswege op grond van dit lid vervallen op de datum van inwerkingtreding van het eerste besluit tot vaststelling van een lijst voor gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk biociden, als bedoeld in artikel 122, eerste lid.
3. Gewasbeschermingsmiddelen of biociden, die op of na 3 mei 2007 zijn vrijgesteld van toelating of waarvoor een ontheffing is verstrekt op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/16aa" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>, worden vanaf die datum geacht te zijn toegelaten op grond van artikel 123, eerste lid, van deze wet, onder de voorschriften die bij de vrijstelling of ontheffing zijn gegeven.
4. Gewasbeschermingsmiddelen of biociden, die zijn vrijgesteld van toelating of waarvoor een ontheffing is verstrekt op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/16a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>, worden geacht te zijn toegelaten op grond van artikel 38van deze wet voor gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk artikel 65van deze wet voor biociden, onder de voorschriften die bij de vrijstelling of ontheffing zijn gegeven en tot de in de vrijstelling of ontheffing opgenomen termijn is verstreken.
5. Gewasbeschermingsmiddelen of biociden die op grond van <a href="/wet/BWBR0002380/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</a>zijn uitgezonderd van de toepassing van <a href="/wet/BWBR0002380" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">die wet</a>, zijn bij de inwerkingtreding van deze wet van rechtswege toegelaten, tot het moment waarop het college:
a. de toelating intrekt of wijzigt op grond van deze wet, of
b. het middel toelaat op grond van artikel 35 of 55.